- / 4
Leerdoelen week 1 De student kan de basale functies levende organismen beschrijven
Reactievermogen: Organismen reageren op veranderingen in hun
onmiddellijke omgeving, dit heet prikkelbaarheid. Ze maken ook langduriger veranderingen door wanneer hun omgeving verandert.Bijvoorbeeld, een dikkere vacht bij dieren. Dat heet aanpassingsvermogen.
Groei: Organismen nemen toe in omvang door celdeling. Cellen
specialiseren zich, zodat ze een bepaalde functie kunnen vervullen, differentiatie
Voortplanting: Organismen planten zich voort
Beweging: Organismen zijn in staat tot beweging. Inwendig, transport van
voedingsstoffen etc. Of uitwendig, voortbewegen door de omgeving
Stofwisseling: Voor al het bovenstaande zijn complexe chemische reacties
nodig om energie te leveren. Er worden ook complexe chemische stoffen gemaakt, zoals eiwitten. Onder metabolisme worden alle chemische reacties in het lichaam verstaan. Voor normale stofwisselingsreacties is het nodig om stoffen uit de omgeving op te nemen. Om op efficiënte wijze energie vrij te maken hebben cellen verschillende voedingsstoffen, nutriënten, nodig die in voedsel aanwezig zijn. Daarnaast hebben ze zuurstof, een gas , nodig. De opname, het vervoer en het gebruik van zuurstof door cellen wordt respiratie genoemd. Bij stofwisselingsreacties ontstaan vaak schadelijke afvalstoffen die via het proces van uitscheiding/excretie uit het lichaam worden verwijderd.De student kan definitie geven van de begrippen anatomie, fysiologie en pathologie en het verband tussen deze begrippen aangeven.Anatomie is hoe je lichaam in elkaar zit, hoe het er uit ziet, fysiologie is hoe je lichaam werkt en pathologie is ziekteleer, hoe werken ziektes.
Het verband: Anatomie en fysiologie hebben een verband, omdat alle
specifieke functies door specifieke structuren worden aangevuld. Door te kijken naar hoe het lichaam in elkaar zit en hoe het werkt, kun je kijken hoe ziektes werken en weer verholpen kunnen worden.•Anatomie –Bouw van het aangedane orgaan/orgaanstelsel (macroscopische anatomie) –Bouw van het aangedane orgaan op cel- en weefselniveau (microscopische anatomie) •Fysiologie –Functie van het aangedane orgaan (orgaanniveau en cel- en weefselniveau) •Pathofysiologie –Wat gaat er mis in de anatomie/fysiologie waardoor de ziekte ontstaat?De student kan de belangrijkste organisatieniveaus in levende organismen herkennen Chemisch of moleculair niveau Atomen, de kleinste stabiele bouwstenen 2 / 4
van de materie verbinden zich met elkaar tot moleculen met een complexe vorm.
Celniveau: Verschillende moleculen hebben interactie, zodat grotere
structuren ontstaan. Elke structuur heeft een eigen functie in een cel.
Weefselniveau: Weefsel bestaat uit gelijke cellen die samenwerken om
een specifieke functie uit te voeren.
Orgaanniveau: Een orgaan bestaat uit twee of meerdere weefsels die
samenwerken om een specifieke functie uit te voeren.
Orgaanstelselniveau: Organen werken samen in een orgaanstelsel
Organismeniveau: Alle orgaanstelsels werken samen om het lichaam om
het leven en de gezondheid in stand te houden.De student kan de verschillende orgaanstelsels van het lichaam opnoemen
Er zijn in totaal 11 verschillende orgaanstelsels in het lichaam:
- Bloedvatenstelsel
- Het
- Spierstelsel - Urinaire stelsel
beenderstelsel - Spijsverteringsstel sel - Ademhalingsstelsel
-Lymfestelsel - Zenuwstelsel - Voortplantingsstel sel -De huid - Hormoonstelsel De student kan het begrip homeostase in de context van het menselijk lichaam Homeostase is het behouden van een stabiel intern milieu. Homeostase regulering bevat meestal uit een receptor, die gevoelig is voor een bepaalde verandering in de omgeving, ook wel prikkel genoemd, een besturingscentrum of integratiecentrum dat informatie van de receptor ontvangt en verwerkt en een effector die reageert op de signalen van het besturingscentrum en waarvan de werking de prikkel tegengaat of versterkt.De student kan beschrijven op welke wijze negatieve en positieve terugkoppeling bij homeostatische regulering zijn betrokken Bij negatieve terugkoppeling veroorzaakt een prikkel een reactie die de oorspronkelijke prikkel teniet doet. Bij positieve terugkoppeling veroorzaakt een prikkel een reactie die de oorspronkelijke prikkel versterkt. Negatieve en positieve terugkoppeling zijn bij de homeostatische regulering betrokken, omdat zij helpen bij het behouden van een stabiel intern milieu. Positieve terugkoppeling helpt bijvoorbeeld bij het stollen van het bloed, zodat we niet doodbloeden en negatieve terugkoppeling helpt bij het reguleren van de lichaamswarmte, zodat we niet oververhit of onderkoeld raken. 3 / 4
De student kan de structuur van een celmembraan beschrijven
De celmembraan is de buitenste grens van de cel. Algemene functies:
Fysieke isolatie: Het onderscheidt de binnenkant van de cel tegen de
extracellulaire vloeistof van buitenaf. Omstandigheden buiten en binnen de cel zijn erg verschillend en dienen ook verschillend te zijn om homeostase te handhaven.
Reguleren van de uitwisseling met de omgeving: Reguleert het
binnenkomen van ionen en voedingsstoffen, het verwijderen van afvalstoffen en het afgeven van klierproducten.
Gevoeligheid voor de omgeving: Het is het eerste deel van de cel dat
door veranderingen in de extracellulaire vloeistof wordt getroffen en heeft veel receptoren om verschillende moleculen mee te herkennen en op hen kan reageren
Structurele stevigheid: Door gespecialiseerde verbindingen tussen
celmembranen of tussen membranen en extracellulaire stoffen, krijgen weefsels een stabiele structuur.De celmembraan wordt vaak een fosfolipide dubbellaag genoemd, omdat het bestaat uit twee lagen fosfolipiden(vetten waar fosfor aan zit). Deze hebben een hydrofiele kop en een hydrofobe staart. De koppen liggen aan de buitenkant, omdat deze hydrofiel zijn, “niet bang voor water” en de staarten liggen aan de binnenkant. Hydrofobe staarten zullen zich niet met water of geladen moleculen mengen, daardoor is de celmembraan selectief doorlatend. In vet oplosbare moleculen en stoffen zoals zuurstof en koolstofdioxide kunnen het vet gedeelte van een plasmembraan passeren. Ionen en in water oplosbare verbindingen niet.Er komen verschillende eiwitten voor in het celmembraan. De meeste van deze eiwitten worden transmembraaneiwitten genoemd, omdat ze de breedte van het celmembraan één of enkele malen overspannen. Andere eiwitten zijn ingebed in het celmembraan of zijn losjes verbonden aan de binnenkant of buitenkant van het celmembraan. Membraaneiwitten kunnen dienen als receptoren, kanalen, dragerstoffen, enzymen, verankering of als herkenning. Celmembranen zijn niet stijf en wat betreft bouw verschilt het binnenste oppervlak van het buitenste. Enkele ingebedde eiwitten zijn altijd beperkt tot specifieke gedeelten van het celmembraan. Anderen drijven weer van de ene naar de andere plaats via het oppervlak. De samenstelling van het celmembraan verandert in de loop van de tijd, omdat er onderdelen worden toegevoegd of verwijderd.Koolhydraten vormen complexe moleculen met eiwitten of vetten aan de buitenste oppervlak van de membraan. De koolhydraatgedeelten van moleculen, zoals glycoproteïnen en glycolipiden, fungeren als smeermiddel of kleefmiddel voor de cel, ze werken als receptor voor extracellulaire verbindingen en maken deel uit van het herkenningssysteem waarmee wordt voorkomen dat het immuunsysteem de lichaamseigen cellen en weefsels aanvalt De student kan de verschillende mechanismen beschrijven die cellen gebruiken om stoffen door de celmembraan te vervoeren
- / 4