Literatuur – Baby, peuters en kleuters:
Ontwikkeling, opvoeding en onderzoek College 1 – Introductie Bornstein et al. – Methods of research in infancy Onderzoek van baby’s is lastig, omdat baby’s niet kunnen praten, motorisch beperkt zijn en omdat hun toestand snel veranderd. Er zijn verschillende methoden om dit te doen, waarbij een combinatie van methodes het meest betrouwbaar en overzichtelijk is.
Onderzoek designs:
• Voor inzicht in status (hoe iets er op een bepaald moment uitziet), functie (hoe het werkt) en oorsprong/determinanten van ontwikkeling worden longitudinaal en cross-sectioneel onderzoek ingezet. Beide methoden kunnen tot dezelfde resultaten leiden, bijvoorbeeld bij habituatie-onderzoek.
- Longitudinaal onderzoek = dezelfde groep herhaaldelijk over tijd.
- Cross-sectioneel onderzoek = verschillende leeftijden op één moment.
- Natuurlijke experimenten = vergelijking van kinderen in hun natuurlijke
- Tweelingstudies = vergelijking monozygotische (eeneiig) met dizygotische
- Adoptieonderzoek = vergelijking adoptiekinderen met biologische en
- Age-held-constant paradigm = onderzoekt baby’s van dezelfde leeftijd die
- Preterm vs. full term studies = vergelijking premature baby’s (< 40 weken)
- Matched designs = onderzoekt baby’s die gelijk zijn op bepaalde kenmerken,
▪ Toont stabiliteit (rangorde tussen individuen) en continuïteit (veranderingen in groepsgemiddelde).▪ Het is duur, heeft te maken met veel uitval, er kan sprake zijn van habituatie en is tijdsintensief.
▪ Het is snel en testen worden niet herhaald.▪ Het kan geen individuele veranderingen of oorzaken aantonen.▪ Risico op cohort-effecten (verschillende leeftijdsgroepen hebben verschillende ervaringen, waardoor de groepen verschillend zijn).• Verschillen tussen nature en nurture worden onderzocht met natuurlijke experimenten, tweelingstudies en adoptieonderzoek.
omgeving (bv. opgroeien in een instelling of thuis).▪ Vroege deprivatie heeft ernstige, maar deels herstelbare, gevolgen.
(twee-eiig) tweelingen.▪ Hogere overeenkomt bij eeneiig, maar omgeving speelt ook een rol.
adoptieouders.• Voor specifieke vragen zijn er specifieke ontwikkelingsdesigns.
verschillen in ervaring (bv. kruipers vs. lopers).
en full-term baby’s voor het effect van biologische maturatie en ervaring.
maar verschillen op één variabele om achter de oorzakelijke invloed van specifieke factoren te komen.▪ Bijvoorbeeld premature baby’s vs. full-term baby’s gematcht op conceptieleeftijd (tegelijkertijd verwekt; rijpingsleeftijd) of postnatale leeftijd (even lang na geboorte gemeten; experiëntele leeftijd).
- / 4
Procedures en technieken:
• Baby biografieën = dagboeken of gedetailleerde beschrijvingen van de ontwikkeling van één kind.
- Domestic (door ouders voor zichzelf), educatief (invloed opvoeding) of
- Rijk aan details, maar subjectief en niet representatief.
- Systematisch en doelgericht.
- Beperkte generaliseerbaarheid.
- Naturalistisch is realistisch, maar moeilijk vergelijkbaar. Gestandaardiseerd is
- Video en checklists verhogen precisie en betrouwbaarheid.
- Representatief, maar risico op subjectieve bias.
- Q-sort methode = gestructureerde zelfrapportage die sociaal wenselijke
- Vagal tone = maat voor zelfregulatie en aandacht (hartslagvariabiliteit).
- Hormonen zoals cortisol (stress) en oxytocine (hechting) worden via het
- Hiermee kan spraakperceptie, geheugen, aandacht en hersenontwikkeling
- Het is objectief, maar een indirecte meting met veel inferentie. Daarnaast is het
- Veel gebruikte paradigma’s zijn habituatie (leren en geheugen), conditionering
- Sterke mate van controle en vergelijkbaarheid tussen baby’s.
wetenschappelijk (systematisch onderzoek).
• Casestudie = diepgaande analyse van één kind of een klein aantal kinderen met de focus op specifieke gedragingen of omstandigheden.
• Systematische observaties = observeren in natuurlijke of gecontroleerde situaties voor inzicht in patronen, frequenties en interactie.
gecontroleerder en vergelijkbaarder.
• Interviews en vragenlijsten = ouder/verzorger geeft informatie over gedrag, tijdsbesteding of context.
antwoorden beperkt (betere betrouwbaarheid).• Neurologische assessment van het autonoom zenuwstelsel = meet fysiologische reacties zoals hartslag, ademhaling en zweetreacties.
speeksel gemeten.• Neurologische assessment van het centraal zenuwstelsel = bestudeert hersenactiviteit via EEG/ERP (elektrische activiteit tijdens stimuli), MEG (magnetische hersenvelden) en fMRI/NIRS/PET (beeldvorming van hersenfuncties).
gemeten worden.
duur en gevoelig voor beweging (moeilijk bij baby’s).• Gestructureerde testen = gestandaardiseerde experimenten met controle over stimuli die kijkduur, zuigfrequentie en hoofdbewegingen meten.
(leren via beloning) en voorkeurstaken (natuurlijke voorkeur).
Methodologische en ethische overwegingen:
• Resultaten moeten consistent en meetbaar zijn.
- Betrouwbaarheid = consistentie van metingen.
- Validiteit = meten wat je beoogt te meten.
- / 4
• Oorzaak-gevolg relaties moeten met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.• Informed consent verloopt via ouders/voogden.• Vermijd stress, ongemak of schade.• De onderzoeksgegevens zijn vertrouwelijk en er is te allen tijde recht op terugtrekking van deelname aan het onderzoek.
Olson et al. – Developmental research methods with infants and young children Onderzoek naar baby’s en jonge kinderen moet worden aangepast aan hun ontwikkelingsniveau en kwetsbaarheid. Omdat jonge kinderen vaak niet kunnen praten of zich moeilijk kunnen concentreren zijn alternatieve methoden nodig die stress minimaliseren en toch betrouwbare gegevens opleveren zodat de menselijke ontwikkeling schematisch kam worden beschreven, verklaart en voorspelt. Baby’s en jonge kinderen ontwikkelen zich binnen contexten van gezin, cultuur en gemeenschap. Goed onderzoek houdt rekening met die context om verkeerde interpretaties of schade te vermijden.
Soorten ontwikkelingsonderzoek:
• Basisonderzoek = breidt kennis en theorieën over ontwikkeling uit.• Toegepast onderzoek = test programma’s of interventies.• Beide versterken elkaar en translational onderzoek vertaalt basisonderzoek naar praktische toepassingen.
Onderzoeksmethoden:
• Kwantitatieve methoden = cijfermatige gegevens en statistische analyses gericht op verbanden, voorspellers en effecten.
- Betrouwbaar, generaliseerbaar en controle over variabelen.
- Geschikt voor ouderervaringen en opvoedingspraktijken.
- Wordt gebruikt om nieuwe hypothesen te genereren of kwantitatieve
- Sequentieel = eerst cijfers, dan interviews.
- Concurrerend = tegelijkertijd voor een completer beeld.
• Kwalitatieve methoden = onderzoek naar betekenis, beleving en context van gedrag middels woorden, observaties of interviews.
resultaten te verklaren.• Mixed methods = combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden.
Onderzoekdesigns:
• Experimenteel design = manipulatie van één variabele (onafhankelijk) om het effect op een andere variabele (afhankelijk) te meten.
- Random toewijzing aan experimentele en controlegroepen.
- Causale uitspraken mogelijk.
- Controle via vergelijkbare groepen of statistische correcties.
- Natuurlijke experimenten = bv. de impact van orkanen op prenatale stress.
- Regressie discontinuïteit = groepen worden gevormd rond een natuurlijke
- Pre-post design = meting voor en na interventie binnen dezelfde groep.
- Kan geen causaliteit aantonen, maar wel sterke aanwijzingen geven.
- Cohort-sequentieel = herhaalde studies in nieuwe cohorten.
- Cross-sequentieel = herhaalde metingen bij verschillende leeftijdsgroepen.
• Quasi-experimenteel design = wanneer randomisatie niet mogelijk of ethisch is.
grens (bv. leeftijdsgrenzen voor school).
• Descriptief design = beschrijven van gedrag of omgeving zonder manipulatie.• Correlatiestudies = onderzoeken van verbanden tussen variabelen.
• Cross-sectioneel design = verschillende leeftijden op één moment.• Longitudinaal design = dezelfde kinderen over tijd.
- / 4
Sampling:
• De steekproef moet de doelpopulatie representeren.• Poweranalyse = bepaalt benodigde groepsgrootte voor betrouwbare resultaten.• Eenvoudig willekeurig = iedereen heeft gelijke kans.• Systematisch = elke x-de persoon uit lijst.• Gestratificeerd = uit subgroepen (bv. etniciteit, leeftijd).• Niet-willekeurig = geen berekenbare kans (minder generaliseerbaar).
- Gemak = participanten die direct beschikbaar zijn.
- Quota = gemak, maar percentages verschillende typen participanten.
- Doelgericht = selectie specifieke participanten (bv. expertise) voor een
specifiek doel of representanten van uiteinden van een kenmerk.
Meetmethoden:
• Gestandaardiseerde test = objectieve, vergelijkbare metingen van cognitieve of motorische ontwikkeling.
- Norm-referenced = vergelijking met leeftijdsnormen.
- Criterion-referenced = vergelijking met standaarden.
- Goed getrainde observatoren en duidelijke definities zijn belangrijk.
- Gezichtsuitdrukkingen worden gebruikt om emoties te identificeren.
- Visuele aandacht laat zien wat een baby opmerkt of interessant vindt.
- Interactie-observatie richt zich op hoe baby’s met anderen omgaan.
- / 4
• Ouderrapportage = ouders rapporteren gedrag, temperament of vaardigheden van hun kind. Nuttig bij niet-observeerbare gedragingen.• Observatie = direct observeren van gedrag in natuurlijke of gecontroleerde setting.
▪ Codering = elke spierbeweging gaat samen met een specifieke emotie.▪ Still face paradigm = ouder kijkt neutraal en reageert niet op kind waardoor baby distress (boos, huilen, wegkijken) toont.• Meet de behoefte aan sociale reactie.▪ Violation of expectation = baby’s kijken langer bij ‘onmogelijke’ gebeurtenissen (begrip van oorzaak-gevolg en objectpermanentie).
▪ Visual preference paradigm = tijd dat baby naar beeld kijkt wordt gemeten. Langer kijken betekent meer interesse.▪ Habituatie = baby verliest interesse in een herhaalde stimulus.• Dishabituatie = nieuwe stimulus herstelt interesse, de baby merkt het verschil op (leren, geheugen en categorisatie).▪ Joint attention = kijken of baby de blikrichting van een volwassene volgt of naar hetzelfde object kijkt.• Dit is een vroege vorm van sociale cognitie en belangrijk voor taalontwikkeling.▪ Eye-tracking technologie = registreert exact waar, hoe lang en in welke volgorde een baby kijkt.• Kan voorkeuren of aandacht patronen meten.
▪ Micro-analytisch = gedetailleerde analyse van korte momenten.▪ Globaal/rating scales = algemene beoordelingen.▪ Complexe interactiesystemen = hechting, co-regulatie, spelinteractie of emotionele afstemming.• Fysiologische metingen = hersenactiviteit (EEG, fMRI, fNIRS; perceptie, taal en aandacht), hartslag (focus, stress en ontspanning), lichaamschemie (cortisol/stress en oxytocine/hechting) en temperatuur (emoties via infrarood).