lO Mo A RcPS D| 26 6 83 34 1 / 4
lO Mo A RcPS D| 26 6 83 34 Inhoud Hoofdstuk 1 – Van verzorgingsstaat naar participatiestaat....................................................................3 Ontstaan en grondslagen....................................................................................................................3 Verzorgingsstaat.................................................................................................................................4 Kritiek.................................................................................................................................................4 Het neoliberalisme in Nederland........................................................................................................5 Omslag en sanering............................................................................................................................6 Naar een verzorgings- en participatiestad..........................................................................................7 Hoofdstuk 2 – Decentralisatie en verzakelijking.....................................................................................8 Centraal, decentraal – meer of minder overheid?..............................................................................8 Welzijnsbeleid, lokaal sociaal beleid...................................................................................................9 Verzakelijking van het welzijnszorgwerk...........................................................................................11 Hoofdstuk 3 – Van transitie naar transformatie...................................................................................13 Burger en leefomgeving centraal......................................................................................................13 Herprofilering van sociale professionals, een gewijzigde setting......................................................14 Andere overheid, andere ambtenaren.............................................................................................15 Hoofdstuk 4 – Lokale invulling van het sociale beleid...........................................................................16 Vernieuwd lokaal zorg- en welzijnsbeleid.........................................................................................16 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)..................................................................................17 Jeugdwet..........................................................................................................................................18 Participatiewet..................................................................................................................................18 Wet langdurige zorg (Wlz)....................................................................................................................19 Overheden in het sociale domein.....................................................................................................19 Hoofdstuk 5 – Kernkwaliteiten van de lokale politiek...........................................................................24 Gemeente en politiek.......................................................................................................................24 Gemeenteraad..................................................................................................................................24 College van B en W...........................................................................................................................25 Burgemeester.......................................................................................................................................26 Het politiek-bestuurlijke proces........................................................................................................26 Burgerperspectief en doe-democratie..............................................................................................27 Gemeenschapszin en sociale samenhang.........................................................................................28 Hoofdstuk 6 – Het beleidsproces..........................................................................................................30 Beleid en overheid............................................................................................................................30 Beleidscyclus.....................................................................................................................................30 Begrotingscyclus: wie betaalt, bepaalt.............................................................................................32 Instellingsbeleid................................................................................................................................33 2 / 4
lO Mo A RcPS D| 26 6 83 34 Hoofdstuk 7 – Sturing en wederzijdse afhankelijkheid.........................................................................35 Regie- en sturingsrol.........................................................................................................................35 Type beleidsinstrumenten................................................................................................................37 Netwerksturing.................................................................................................................................38 Wederzijdse afhankelijkheid.............................................................................................................39 Hoofdstuk 8 – Lerende professionals in het sociaal domein.................................................................41 Beleidsleren......................................................................................................................................41 Hoofdstuk 1 – Van verzorgingsstaat naar participatiestaat
Nederlandse verzorgingsstaat bevindt zich op een kantelpunt: de politiek-
maatschappelijke visie op “verzorging” is veranderd. Gaat minder om hulpverlening en verzorgen, meer om zelf- en samenredzaamheid .Ontstaan en grondslagen
1870: industrialisering in Nederland nam toe; groeiende behoefte aan
arbeidskracht in fabrieken en havens, waardoor veel landarbeiders naar de stad trokken (meer kans op werk en inkomen) sociale kwestie ontstond.De arbeidsomstandigheden waren slecht en onmenselijk (slechte huizen en hygiëne door geen rioleringen en waterleidingen).Wie niet werkte, was afhankelijk van de bedeling; uitkeringen en sociale verzekeringen bestonden nog niet.Overheid diende zich terughoudend op te stellen en moest zich met de bestrijding van de armoede, wat in handen lag van de rijken en de kerk, zo min mogelijk bemoeien.Sociale kwestie begon in 1870 een rol te spelen in de Nederlandse politiek.1874: Kinderwetje van Van Houten: beperkte kinderarbeid
1900: langzame uitbouw van sociale wetgeving om de allerergste nood onder
armlastigen tegen te gaan, achteraf gezien de voorbode van de verzorgingsstaat.
Na 1945: sociale regelingen namen toe totdat er sociale rechten waren voor
iedereen. Werd o.a. betaald uit collectieve belastinginkomsten.Met de groei en uitbreiding van het aantal sociale voorzieningen ontstond een professionele sector voor hulpverlening en maatschappelijke ondersteuning.
Tot 1965: het begrip “welvaartstaat” werd gebruikt, ontstaan in de tweede
wereldoorlog Naar aanleiding van het Beveridge-rapport (legde de basis voor een sociaal beleid waarin gepleit werd om belastinggelden in te zetten voor gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid) kwam de Nederlandse commissie-Van Rhijn tot de conclusie en aanbeveling dat ook de Nederlandse overheid zorg diende te dragen voor een minimum bestaan van alle burgers. De angst voor herhaling van de vooroorlogse economische crisisjaren met een hoge werkloosheid (armoede) en de opkomst van fascisme en nazisme speelden een grote rol. 3 / 4
lO Mo A RcPS D| 26 6 83 34 Nadruk lag vooral op het bevorderen van de materiële voorwaarden , dus welvaart en niet welzijn, op het gebied van werk en inkomen. Het ging om het recht op en het belang van staatszorg , burgers waren niet meer afhankelijk van particuliere en kerkelijke liefdadigheid en armenzorg.Wat is sociaal beleid?-Iets tegen ongelijke sociale posities, achterstand en afwijkend gedrag (verslaving, mishandeling, prostitutie, verwaarlozing) doen door samenwerking met en van veel instituties zoals woningcoöperaties en politie.-Lokale informele sociale netwerken tot stand brengen. Hierbij gaat het vooral om steun en participatie vergroten.Verzorgingsstaat
1965: begrip “verzorgingsstaat” raakte ingeburgerd in Nederland,
geïntroduceerd door socioloog Thoenes:
“Een maatschappijvorm, die gekenmerkt wordt door een op democratische leest geschoeid systeem van overheidszorg, dat zich garant stelt voor het collectieve sociale welzijn” Draaide niet meer alleen om welvaart, maar ook om welzijn, collectief gegarandeerd door de overheid om maatschappelijke uitval en uitsluiting te voorkomen.Dankzij de economische groeispurt en bloei in de jaren 50, 60 en begin 70 van de 20 e eeuw breidde en expandeerde de Nederlandse verzorgingsstaat op een
drietal terreinen:
1.Risicodekking: ziekte, werkeloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioen,
ongevallen, huur, hypotheek en studiebeurzen
2.Gerechtigden (ontvangers): premie- en niet-premiebetalers,
studerenden, bijstandstrekkers, ouderen en kinderen (bijvoorbeeld kinderbijslag)
3.Overheids- en publieke sectoren: onderwijs, welzijn, cultuur, sociale
zaken, economie en sociale woningbouw Kritiek Er ondanks de brede consensus en steun onder liberale, christelijke en socialistische stromingen kritiek en discussie over het doel, de reikwijdte, de betaalbaarheid van e het mensbeeld achter het verzorgingsregime.
Liberale maatschappijvisie (VVD): staat de individuele vrijheid voorop, welke
vooral opgaat t.o.v. de overheid, die zich zo min mogelijk moet bemoeien met het privéleven van de burger. De overheid moet geen initiatieven nemen, maar de burger.
Sociaaldemocratische maatschappijvisie (PvdA): gemeenschap is
belangrijker dan het individu, want niet alles kan worden overgelaten aan het individu (dat leidt tot het recht van de sterkste). Overheid moet deze onrechtvaardigheden en onvolkomenheden bestrijden door meer
- / 4