- / 4
lO MoA RcP S D|2 6 68 33 4 Inhoud Inleiding..................................................................................................3 Hoofdstuk 1: Genetica............................................................................4 1.1 Algemene genetica........................................................................4 1.2 Soorten genetici............................................................................5
- Klassieke genetica........................................................................5
- Moleculaire genetica....................................................................5
- Klinische genetica........................................................................5
1.3 Genetische manipulatie.................................................................7 1.4 Begrippen genetica.......................................................................9 Hoofdstuk 2 Linkshandigheid................................................................14 2.1 Linkshandigheid algemeen..........................................................14
2.1.1 Linkshandige producten........................................................17
2.1.2 Perspectief linkshandigen......................................................17
2.2 Verband linkshandig en rechtshandig schrijven..........................19 2.3 Mogelijke nadelen bij linkshandigen............................................20 2.4 Mogelijke voordelen bij linkshandigen.........................................22 2.5 Mogelijke verbanden...................................................................23 Hoofdstuk 3 Stamboom onderzoek .......................................................25 3.1 Stamboom algemeen ..................................................................25 3.2 Stamboom...................................................................................25 Conclusie..............................................................................................28 Bijlage I - Creativiteit............................................................................29 2 / 4
lO MoA RcP S D|2 6 68 33 4 Inleiding Ouders en nakomelingen lijken vaak op elkaar bijvoorbeeld de kleur van hun ogen, haren of de vorm van de nagels of van de neus kunnen vergeleken worden met dat van de ouders. Het aantal overeenkomsten dat er bestaat tussen de ouders en de nakomelingen kunnen afkomstig zijn van de ouders, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Genetica is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de overerving van eigenschappen door genen die in de sperma en-eicellen liggen van ouders naar hun kinderen toe. Dus het overdragen van ziektes of kenmerken van generatie op generatie maar dit hangt af van verschillende factoren. Om de overdracht van ziektes of kenmerken van generatie op generatie te onderzoeken wordt er gebruik gemaakt van stambomen. Stambomen zijn grafische overzichten over de eigenschappen van voorouders, nakomelingen en hun partners in de vorm van een boom. Uit de eigenschappen die de nakomelingen vertonen kunnen conclusies getrokken worden, waarop de onderzochte eigenschappen overerven, maar bij mensen kunnen geen kruisingen gevoerd worden op systematische manier, omdat het aantal nakomelingen van twee ouders meestal klein is.Met linkshandig worden mensen aangeduid die als voorkeurshand hun linkerhand hebben.Meestal zijn diegenen die linkshandig zijn ook linksvoetig en linksogig (linksvoetig of linksbenig is wanneer ze hun linkervoet gebruiken om bijvoorbeeld tegen een bal te schoppen of hoog te springen. Linksogig betekent dat ze hun linkeroog gebruiken als meesteroog om bijvoorbeeld te mikken met een geweer of om door het oculair van een microscoop te kijken). Slechts een klein deel van de mens is linkshandig. De huidige maatschappij is ingericht op rechtshandige mensen.Hierdoor krijgen linkshandige mensen te kampen met een aantal problemen. Met rechtshandig worden mensen aangeduid die als voorkeurshand hun rechterhand hebben. De oorzaak van rechtshandigheid is onbekend, maar erfelijkheid lijkt een rol te spelen. 3 / 4
lO MoA RcP S D|2 6 68 33 4
Hoofdstuk 1: Genetica
1.1 Algemene genetica Genetica of erfelijkheidsleer is een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met
erfelijke eigenschappen: de aangeboren verschillen en overeenkomsten tussen de
opeenvolgende generaties. De grondlegger van de genetica, Gregor Johann Mendel (1822- 1884),voerde in het midden van de 19e eeuw verschillende kruisingen uit van de erwt ,Pisum sativum, om onderzoek te doen naar de overerving van de verschillende eigenschappen van deze erwt. Later onderzoek toonde aan, dat de door hem gevonden wetmatigheden ook opgaan voor het grootste deel van de overerving in andere diersoorten en in de mens. De regels voor overerving die Mendel in zijn onderzoek beschrijft staan nu bekend als de Wetten van Mendel. Enkele jaren daarna werden chromosomen geïdentificeerd als de dragers van erfelijke eigenschappen. De stoffelijke dragers van erfelijke eigenschappen bleken de chromosomen en de daarop gelegen genen te zijn. Twee homologe chromosomen bevatten genen voor dezelfde erfelijke eigenschappen. De plaats van een gen in een chromosoom wordt een locus genoemd. Een gen draagt de informatie voor een specifieke erfelijke eigenschap in een cel. De genen zijn opgeslagen in de chromosomen die in de celkern zitten. In elke cel komen de chromosomen in paren voor.Elk gen is dus ook dubbel aanwezig. De twee bij elkaar horende genen worden allelen genoemd. Ze kunnen gelijk zijn, maar ook verschillend. Als ze verschillend zijn, dan onderdrukt het ene allel de werking van het andere. Ze zijn dan respectievelijk dominant en recessief. De oogkleur blauw is bijvoorbeeld recessief ten opzichte van de oogkleur bruin.Alleen als beide allelen voor de oogkleur blauw aangegeven worden de ogen blauw. Geeft één allel blauw en de ander bruin aan of geven beide bruin aan, dan worden de ogen bruin.Bij de vorming van geslachtscellen(meiose) worden de chromosoomparen uit elkaar getrokken, waardoor iedere geslachtscel (eicellen, sperma) nog maar de helft van het totaal aantal chromosomen heeft. De mens heeft bijvoorbeeld 46 chromosomen, in 23paren. Bij fouten in de celdeling van geslachtscellen kunnen afwijkende aantallen chromosomen in cellen terechtkomen. Daardoor ontstaan nakomelingen die niet levensvatbaar zijn, afwijkingen vertonen en haast altijd onvruchtbaar zijn. Een extra chromosoom in de cel wordt trisomie genoemd en een chromosoom te weinig wordt monosomie genoemd.
- / 4