Methodiek zwemmen Wiessner: zwemmen is deel van de lichamelijke opvoeding, gedurende de lagere schoolperiode.
1.Watergewenningsperiode: spelenderwijs watervrij maken.
2.Voorbereidende zwemoefeningen: vertrouwen op eigen drijfvermogen, leren drijven en uitdrijven.
3.Leren zwemmen: zwem technische oefeningen, met het hoofd in het water.
Bongertman: zwemmen leren om verdrinking te voorkomen.
Winter: droogzwemmen op banken door deelbewegingen.
Zomer: schoolslag en enkelvoudige rugslag leren met drijfmiddelen (bongertmanbussen) en het hoofd boven water. Er is een geleidelijke vermindering van drijfmiddelen.
Doelstelling zwemonderwijs:
Leerlingen zo ver brengen, dat voor hen een veilig en veelzijdig bewegen in het water mogelijk wordt, dat door hen als plezierig wordt ervaren, dan zal het zwemonderwijs van meet af aan breed van opzet moeten zijn. Om deze doelstelling te behalen is een goede watergewenningsperiode van doorslaggevende betekenis.Drijfmiddelen: leerhulp: Ligging goed afstemmen op de zwemligging.Aandacht volledig leggen bij de (been)slag.Ademhalingsproblematiek is nauwelijks aanwezig.Bereikbaarheid van de leerlingen is groot.Oefenen van de (been)slag kan langer door gaan.Drijfmiddelen worden afgewezen als ze moeten dienen om te beginnen met zwemslagen. Door angst die dan ontstaat is vervolgzwemonderwijs minder goed mogelijk.
Watervrees:
Je hebt nooit watervrees van nature, maar het kan wel groot en hardnekkig zijn. Er is extra aandacht nodig. Tijd is hierbij een nadeel. Aarzeling (onwennig) in nieuwe situaties is normaal. Dit beschermt het kind tegen drieste acties. Al snel wint de verkenningsdrang het. Dan wordt het water onderzocht op de mogelijkheden en laat het daarmee zijn eigenaardigheden kennen, waarmee het kind rekening moet houden. Bij echte watervrees is het water geen uitdaging, het lokt niet tot aangaan van een avontuur. Dit kan komen door bewuste of onbewuste ervaringen. Leef je in, in de problemen die voor kunnen doen. Om hier overheen te komen kost het tijd en geduld van de lesgever. Er moet vertrouwen gewonnen worden van de leerling. Ook moet het water aangenaam zijn van temperatuur. 1 / 3
Watergewenning:
Het kind moet wennen aan de bijzondere eigenschappen van het water:
Temperatuur lager als lichaamstemperatuur. Een kind koelt snel af.Weerstand door de dichtheid wordt het bewegen belemmerd. Je komt minder snel overeind en het kost meer inspanning.Waterdruk verzwaard inademen.Opwaartse kracht je staat minder vast op je voeten. Het water wil je dragen als je dieper gaat.Binnendringen van water in mond, neus en oren ademhaling bedreigend.Golven en spetters.Prikkeling van de ogen chemische samenstelling van het water. Beginners sluiten snel de ogen, waardoor oriënteren moeilijker is en dus de onzekerheid vergroot wordt.
Ademhaling:
Zwemmen is voor beginners en gevorderden vaak bedreigend, omdat er niet geleerd is om aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Met het hoofd boven water zwemmen zorgt vaak voor een onrustige en gespannen slag.Inademen: normaal ademen we door de neus. Een beginnende zwemmer doet dit ook om te voorkomen dat hij zich verslikt. Een betere aanpassing is inademen door de mond. Wel moet als er water in de mond komt direct uitgespuugd worden. (uitspugen in een straaltje is een nuttige oefening, hiermee oefen je ook onder water gaan). De waterdruk verzwaard het inademen, waardoor de neiging bestaat om dieper in te ademen, wat als verveld wordt ervaren in het begin..Uitademen: drie leervoorstellen zijn: kuiltje in wateroppervlak, bellen blazen aan water oppervlak of bellenstroom onder wateroppervlak blazen. Deze drie leervoorstellen verminderen de bedreiging voor het verminderen van de ademhaling. Dit moet regelmatig geoefend worden willen de deelnemers ontspannen zijn en niet buiten adem raken.Zwemproblemen zijn bij gevorderde zwemmers vaak terug te brengen op de ademhaling. Er wordt te veel ingeademd en onvoldoende uitgeademd in het water. Er is een overvulling van de longen (ventilatie onvoldoende en snel moe). De ademhaling is vaak afgestemd op de armbeweging.
Balans houden/ wrikken:
Je leert voelen met je handen dat water steun kan geven en gebruikt kan worden om balans te houden (in beginfase erg belangrijk). Wrikken kan dienen of het lichaam in positie te houden of verplaatsen. De wrikbewegingen is de basis van voortstuwing met de handen en dus belangrijk voor latere zwemslagen. Dit leidt uiteindelijk tot een functionele armbeweging bij het leren van de schoolslag. Wrikken maakt draaien om de assen eenvoudiger en blijkt onmisbaar bij houdings- en lichaamsveranderingen. 2 / 3
Volgordeproblematiek:
Het voorbereiden op het eigenlijke leren zwemmen (zwemslagen) is verdeeld in twee fasen.
Volgends Wiessner:
Watergewenning Voorbereidende zwemoefeningen
Volgends jiskoot en van der sluis:
Elementaire watergewenning Gevorderder watergewenning
Volgends kurt wilke:
Watergewenning Waterbeheersing Dit onderscheidt is belangrijk om orde te brengen in de mogelijke leerinhouden en een volgorde vast te stellen. Er moet kennis gemaakt worden met de eigenschappen van het water in een recht opgaande houding. Daarna wordt het contact met water intenser en wordt er gestreefd naar een steeds meer horizontalere ligging. De watereigenschappen worden meer bewust verkend en benut (vooral opwaartse kracht). De leerlingen moeten zo geleidelijk mogelijk komen tot ontspannen
drijven en uitdrijven. Het zwemonderwijs wordt verdeeld in:
A)Aanvankelijk zwemonderwijs: leerlingen brengen tot veiligheidsniveau, op een voor hen plezierige manier op een brede basis.
-A1: introductiefase gewenning en verkenning
-A2: voorbereidingsfase verplaatsen
-A3: verplaatsen op elementaire wijzen van verplaatsen in rug en borstligging B)Vervolg (zwem)onderwijs: de doelstelling wordt veelzijdig en nader uitgewerkt.
Aanvankelijk zwemonderwijs:
Veilig – veelzijdig – plezierig
A1 INTRODUCTIEFASE LEERDOELEN : gewenning en verkenning
-spetters verdragen -springen van de kant -hardlopen - verplaatsen op de handen -wrikken -bellen blazen en straaltjes spugen Doel: van aarzeling of vrees afhelpen en plezier en zelfvertrouwen te krijgen in de watersituatie. Dit is vooral in een rechtopgaande houding met bodemcontact. Dit probeer je door kinderen bij toeval kennis te laten maken met de eigenschappen van het water.Bijvoorbeeld met spelletjes uit de zaal. Met een hoog tempo van spelen wordt afkoeling voorkomen. Er moet steeds afgeleid worden met iets nieuws, zodat ze niet aan de angst denken.
Eind van de fase:
okinderen durven het water onder de douche lang over het gezicht te laten gaan.oSpringen van een lage kant in het water.oKunnen met handen hard in heupdiep water lopen.oMet handen in knie diep water in borst en ruglig verplaatsen.oVinden steun in water door wrikken.oKunnen bellen blazen en straaltjes spugen.Leervoorstellen: vooral in knie, heup en borst diep water te water gaan en steeds dieper durven gaan.
- / 3