Oefentoets 4V Pluriforme samenleving 1.Hoe zat het met de tolerantie in Nederland gedurende de 17e en 18e eeuw? 2p 2.Leg in je eigen woorden uit wat een vooroordeel is, en hoe dit ontstaat. 3p 3.a) Wat is het verschil tussen push- en pullfactoren? 2p
b) Geef van beide factoren een concreet voorbeeld aan de hand
van het schema op blz. 172-173. 2p 4.Leidt de migratie in Nederland volgens jou tot succesvolle integratie? Ga hierbij in op de ontwikkelingen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. 3p 5.Leg uit wat de arbeidsmigranten van de jaren ‘60 en de gezinsherenigers en -vormers met elkaar te maken hebben. 2p 6.a) Benoem de drie patronen van integratie. 1p
b) Geef voor elk patroon een voorbeeld dat in Nederland zou
kunnen plaatsvinden. 3p 7.a) Waarom is laaggeletterdheid een probleem voor de integratie van migranten? 2p
b) Zijn migranten de enige groep waar laaggeletterdheid een
probleem is? 1p Oefentoets 4V Pluriforme samenleving 1 / 2
1.Hoe zat het met de tolerantie in Nederland gedurende de 17e en 18e eeuw? 2p Er was sprake van veel tolerantie, omdat we in Nederland uitgingen van belangen (1p), wat een pragmatische keuze was (1p).
2.Leg in je eigen woorden uit wat een vooroordeel is, en hoe dit ontstaat. 3p Een vooroordeel is een vooraf bepaalde mening over bepaalde groepen of culturen. Dit komt voort uit onzekerheid, die mensen ertoe aanspoort om vertrouwen en stabiliteit in de eigen groep te vinden en dit te onderbouwen met een ‘wij vs. zij’-gevoel. In ernstige gevallen kan dit zelfs leiden tot xenofobie, oftewel vijandigheid tegen mensen buiten de eigen etnische groep.
3.a) Wat is het verschil tussen push- en pullfactoren? 2p Pushfactoren zijn redenen waarom je je thuisland wil verlaten (dus emigreren), pullfactoren zijn redenen waarom je specifiek naar een bepaald land toe wil (dus immigreren).
b) Geef van beide factoren een concreet voorbeeld aan de hand
van het schema op blz. 172-173. 2p
Bijvoorbeeld: een pushfactor was de vervolging van de Duitse
joden in de jaren voor WO II, een pullfactor was de werkgelegenheid in de Nederlandse mijnen in de jaren ’50.
4.Leidt de migratie in Nederland volgens jou tot succesvolle integratie? Ga hierbij in op de ontwikkelingen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. 3p
Eigen invulling. Mogelijke argumenten vóór: steeds betere sociale
mobiliteit voor migranten in het onderwijs, ook meer etnisch
ondernemerschap. Mogelijke argumenten tégen: taalbeheersing is
een probleem voor met name de eerste generatie migranten, wat leidt tot problemen met de CITO-toets, waardoor sommige jongeren naast de maatschappelijke ladder belanden, wat dan weer leidt tot hardnekkige jeugdwerkloosheid.
- / 2