Oefentoets Fysiologie Hart 1
Vraag 1:
Gegeven: om het hart zit een hartzakje. Dit hartzakje bestaat uit twee lagen, het epicard en pericard.
Stelling: welke card omgeeft de binnenkant?
A.Epicard B.Pericard
Vraag 2:
Welke fase zie je hier?A.Vullingsfase B.Isometrische contractie C.Ejectie fase D.Isometrische relaxatie
Vraag 3:
Waar bevindt de prikkel zich eerst?A.SA-knoop B.AV-knoop
Vraag 4:
Welke formule is juist?
A.HMV= slagvolume: hartfrequentie
B.Hartfrequentie= slagvolume x HMV C.HMV= slagvolume x hartfrequentie
D.Hartfrequentie= slagvolume: HMV
Vraag 5:
Gegeven: De hartfrequentie is altijd ongeveer 100 bpm, in rust is dit 70 bpm. Het lichaam versnelt en vertraagt dit onder invloed van sympathicus en parasympaticus.
Stelling: welke neurotransmitter hoort bij parasympaticus?
A.Noradrenaline B.Acetylcholine 1 / 3
Vraag 6:
Hoe kan je het slagvolume vergroten?A.Einddiastolische volume verhogen B.Einddiastloische volume verlagen
Vraag 7:
Isovolumetrische relaxatie en vullingsfase is bij de diastole A.Waar B.Niet waar
Vraag 8:
In welk bloedvat bevindt zich zuurstofrijk bloed?A.Aorta B.Vena cava
Vraag 9:
In welk bloedvat bevindt zich zuurstofarm bloed?A.Arteria pulmonalis B.Vena pulmonalis C.Coronaire vaten
Vraag 10:
Hoeveel bloed pompt het hart ongeveer uit in 1 minuut in rust?A.6 L/minuut B.25 L/minuut C.35 L/minuut
Vraag 11:
De bundel van his is een bindweefsellaag dat ervoor zorgt dat de ‘prikkel’ niet verder gaat. En het heeft ook als functie stevigheid van de kleppen.A.Waar B.Niet waar
Vraag 12:
Zet de prikkelgeleiding op goede volgorde A.AV-knoop B.Spiervezels atria C.Linker en rechter bundeltak D.Bundel van His E.SA-knoop F.Spiervezels ventrikels 2 / 3
Vraag 13:
Positieve chronopatie betekent dat de sympatiscus aan staat en parasympaticus uit A.Waar B.Niet waar
Vraag 14:
Welke kleppen zijn gesloten tijdens de vullingsfase? Meerde antwoorden mogelijk A.Pulmonalisklep B.Aortaklep C.Mitralisklep D.Tricuspidalisklep
Vraag 15:
Hoe hoger de contractiliteit, hoe kleiner het einddystolisch volume, hoe groter het slagvolume, hoe hoger het hartminuut volume A.Waar B.Niet waar
Vraag 16:
Gegeven: Hoeveelheid bloed wat vanuit de venen in het hart geduwd wordt
Stelling: wordt hier gesporken over de preload of afterload?
A.Preload B.Afterload
Vraag 17:
Bij dit mechanisme spreken we van Frank starling effect: ‘contractiliteit hartspier stijgt, waardoor het eindsystolische volume daalt.A.Waar B.Niet waar
Vraag 18:
Bij een hartfrequentie HF van 80 bmp is:
A.De sympathicus actief B.De parasympathicus actief C.Beide actief
Vraag 19:
Bij activatie van de sympathicus neemt de HF en SV af A.Waar B.Niet waar
Antwoorden Hart 1:
Antwoord 1: A, epicard
Antwoord 2: B: Isometrische contractie
Antwoord 3: A, SA-knoop
Antwoord 4: C, HMV= slagvolume x hartfrequentie
Antwoord 5: B, Acetylcholine
Antwoord 6: A, Einddiastolische volume verhogen
Antwoord 7: A, waar
Antwoord 8: A, aorta
Antwoord 9: A, arteria pulmonalis
Antwoord 10: A, 6 L/minuut
Antwoord 11: B, niet waar dit is de annulus firbrois
Antwoord 12: E-B-A-D-C-F
- / 3