- / 2
OEFENVRAGEN Inleiding in de Rechtswetenschap
- Geef aan of ‘recht’ in de volgende uitspraken in objectieve of subjectieve zin wordt gebruikt.
- / 2
I.Volgens het burgerlijk recht mag jij de andere partij in gebreke stellen.II.Zij heeft volgens de Grondwet recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer.a.Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: subjectief b.Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: objectief c.Uitspraak I: objectief, uitspraak II: subjectief d.Uitspraak I: objectief, uitspraak II: objectief 2.Welke van de volgende stellingen is juist?a.Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in formele zin, maar geen wet in materiële zin.b.Artikel 10 lid 1 Opiumwet is zowel een wet in formele zin, als in materiële zin.c.Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in materiële zin, maar geen wet in formele zin.d.Artikel 10 lid 1 Opiumwet is noch een wet in materiële, noch een wet in formele zin.
3.Welk van de onderstaande mogelijkheden geeft een verkorte beschrijving van het legaliteitsbeginsel (ook wel nulla poena beginsel)?a.Geen straf zonder schuld b.Geen straf zonder wederrechtelijkheid c.Geen straf zonder wet d.Geen straf zonder overtuigend bewijs 4.Onder welk van de volgende categorieën valt art. 19 EVRM?a.Materieel publiekrecht b.Formeel publiekrecht c.Materieel privaatrecht d.Formeel privaatrecht 5.Bekijk artikel 6:41 BW en artikel 7:639 lid 1 BW. Bevatten deze bepalingen aanvullend of dwingend recht?