Onderwerp 4: Massacultuur vanaf 1950
Welke periode? 1950-nu
Welke kunststromingen? Abstract expressionisme: grootse en
meeslepende werken(Pollock spettert verf over doek overall-compositie)
Ook: colourfield painting(enkele grote
kleurvlakken)
Pop-art: thema’s ontleend uit
massamedia: tv, strips, tijdschriften,
kranten, reclame(Warhol, Hamilton) zeefdruk, blow-ups, repetitie, readymades
Postmodernisme: mengelmoes van
verschillende kunststijlen
Ontwikkelingen in muziek, theater, dans, bouwkunst en beeldende kunst Theater
Sartre: verwoordt het gevoel van een strijd
tussen het positieve van de nieuwe tijd en
twijfel over eigen verleden huis clos: je
creëert je eigen hel
Existentialisme: accepteer de
werkelijkheid van je leven
Samuel Beckett: absurd theater zoeken
naar de zin van het leven is zinloos. Dat de mens bestaat, is op zich al zinvol genoeg
Artoud: verzet tegen klassiek theater
licht, geluid en beweging centraal
Hijikata: Butoh dans van de sombere
ziel, veel kritiek
Raamvertelling: veel verschillende kleine
verhaaltjes
Happenings: openbare spontaan lijkende
gebeurtenis
Performance-art: kunstenaar is zelf
middelpunt van zijn werk
Fysiek theater(Living Theatre): gesproken
teksten zijn vervangen door lichaamstaal, boodschap is veelal politiek
Musical(singin’ in the rain): verhaal niet zo
belangrijk, muziek, showballet en aankleding het belangrijkst
Straatmusical: In West Side Story verhaal
weer even belangrijk als de rest
Mise-en-scène: wijze waarop verhaal in
- / 1