1
Ontwikkelingspsychologie Samenvatting 7 de druk Liesbeth van Beemen Marieke Beckerman-Wagner
- / 3
2 Deel 1 Kennismaking met ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 1 Het terrein van de ontwikkelingspsychologie De psychologie wil het menselijk gedrag beschrijven en verklaren. De biopsychologie legt de nadruk op lichamelijke, biologische processen, de sociale psychologie richt zich op de mens als groepslid en de klinische psychologie kijkt naar afwijkend gedrag.
1.1 Een definitie van ontwikkeling Ontwikkelen: het doorlopen van een reeks toestanden. Het wordt geassocieerd met verandering, vooruitgang, rijping, groei, differentiatie en leren.
- Verandering en vooruitgang zijn twee essentiële kenmerken van ontwikkeling. Verandering is noodzakelijk om van de
- Rijping, groei en differentiatie zijn uit de biologie afkomstig. Deze verwijzen naar processen die kenmerkend zijn voor
- Rijping: impliceert verandering en vooruitgang op twee niveaus:
- Leren verwijst naar het verwerven van kennis en vaardigheden op basis van ervaring. De ervaring doen we op door
ene toestand naar een andere toestand te raken.
de soort.
§ Van klein naar groot à groei § Van eenvoudig naar complex à differentiatie
actief in contact te treden met de omgeving.
“Ontwikkeling wordt opgevat als een reeks progressieve veranderingen die tot hogere niveaus van differentiatie en functioneren leiden.”
De ontwikkelingspsychologie houdt zich met twee fundamentele kwesties bezig:
- Welke psychologische toestanden doorlopen individuen tijdens hun ontwikkeling?
- Welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor de overgang van de ene toestand naar de volgende?
Dus het beschrijven en verklaren van ontwikkelingsprocessen.
1.2 Kinder- en jeugdjaren: een afbakening
Ontwikkelingsperioden:
- Babyperiode (0-12 maanden): je spreekt over een baby zolang het kind nog niet loopt. Groei- en ontwikkelingstempo is
- Peuterperiode (1-4 jaar): door nieuwe vaardigheden een toename van verkenningsmogelijkheden die de basis vormt
- Kleuterperiode (4-6 jaar): is meer op anderen gericht en beschikt meestal over meer rijke fantasie. Het omvat de eerste
- Schoolperiode (6-12 jaar): de cognitieve ontwikkeling is erg belangrijk in deze fase. Komen meer met andere kinderen
- Adolescentie (12-18 jaar): in het begin zit je in de puberteit à geslachtsrijping. Daarna spreek je van een
hoog. Vooral op motorisch gebied. Ontstaan gehechtheidsrelatie.
van de snel toenemende sociale en communicatieve vaardigheden. Egocentrisme komt veel voor à zij denken en handelen sterk vanuit hun eigen belevingswereld en kunnen zich nog niet in anderen verplaatsen.
twee jaren van het basisonderwijs. Meer contact met leeftijdsgenootjes via school of in de buurt.
en volwassenen in contact.
jongvolwassene. Ontwikkeling van seksualiteit en identiteit.
1.3 Ontwikkelingspsychologie in historisch perspectief Voor de achttiende eeuw was de belangstelling voor kinderen met specifieke behoeften en mogelijkheden erg klein. Dit veranderede nadat verschillende wetenschappers zich gingen interesseren in kinderen:
- De verlichte filosofen Locke en Rousseau: Locke kwam met het tabula rasa-principe. Elk kind kwam als onbeschreven
- Het eerste onderzoek naar kinderen door de bioloog Darwin: Darwin deed onderzoek naar de ontwikkeling van het
op de wereld. Dus zonder enige ‘bagage’. Daarbij pleitte hij ook voor een strikte opvoeding die zal resulteren in optimale zelfdiscipline en vorming van de geest. Rousseau gaf daarentegen het gevoel een belangrijke plaats. Hij geloofde in de aangeboren natuurlijke goedheid van de mens. Het ziet het kind als een actief en onderzoekend wezen dat met een sterke wil greep tracht te krijgen op de realiteit.
menselijk gedrag, wat Locke en Rousseau niet deden. Hij observeerde zijn eigen zoon in de eerste drie levensjaren.Daarna werden de observatietechnieken verbeterd.
1.4 Verklarend onderzoek In de babybiografieën werden de ontwikkelingspsychologische processen zo goed mogelijk beschreven door observaties en waarnemingen. Daarbij werden ook eigen interpretaties bij toegevoegd.Een onderzoek kan wetenschappelijk genoemd worden als het streeft naar waarheid, objectiviteit en rationaliteit. Dit moet allemaal te controleren zijn door een buitenstaander. Om aan te tonen dat een theorie klopt, maken wetenschappers gebruik 2 / 3
3 van experimenten. In de psychologie worden vaak verbanden of een samenhang tussen twee factoren aangetoond. Correlatie: statische samenhang tussen twee grootheden. Causaal of oorzakelijk verband: is de ene eigenschap de oorzaak van de ander?
1.5 Meten in de gedragswetenschappen Operationaliseren: de eigenschap wordt zodanig ‘vertaald’ dat er meetbare gegevens aan gekoppeld kunnen worden. De meting moet daarbij wel betrouwbaar en valide zijn. Betrouwbaar wil zeggen dat de meting, ongeacht het tijdstip en de persoon die de meting verricht, steeds hetzelfde resultaat oplevert. Valide wil zeggen dat het meetinstrument ook daadwerkelijk meet wat het moet meten.
1.5.1 Observatie
Vooral bij baby’s, peuters en kleuters is de observatie van een groot belang. Hun kan je geen vragenlijst of interview voorleggen.Onderzoekers observeren zo onopvallend mogelijk. Hierbij kunnen video-opnames gebruikt worden. Daarbij moet de onderzoeker zich aan strikte privacyregels houden. Ook wordt observatie gebruikt bij een laboratoriumexperiment.
1.5.2 Interview en vragenlijst
Open interview: vraagtechniek waarbij de vragen deels geleid worden door de gegeven antwoorden.Gesloten interview of gestructureerd interview: bestaat uit een vaste reeks vragen die bij verschillende kinderen in dezelfde volgorde worden gesteld. De antwoorden kunnen zo met elkaar vergeleken worden.Vragenlijst: heeft een vaste hoeveelheid vragen en ook een beperkt aantal antwoordmogelijkheden. Een nadeel hiervan is dat het kind voldoende taalvaardigheid moet hebben.
1.5.3 Methoden om ontwikkeling te meten
Er zijn twee soorten onderzoeksmethoden:
- Dwarsdoorsnedeonderzoek: er wordt op één tijdstip de meetresultaten van groepen van verschillende leeftijden
- Longitudinaal onderzoek: het meten van gedrag van kinderen op een bepaald tijdstip wordt na verloop van tijd
vergeleken. Deze methode is erg goedkoop en snel.Een nadeel is het cohorteffect. Het verschil tussen leeftijdsgroepen kan worden aangezien voor een ontwikkelingseffect, terwijl het gaat om een generatieverschil. Een cohort is een groep mensen met hetzelfde geboortejaar. Een tweede nadeel is dat er niks kan worden gezegd over de individuele ontwikkeling.
herhaald. Het volgt de ontwikkeling van het individu. Je hebt hierdoor geen last van het cohorteffect.De nadelen zijn dat het kostbaar is, lang duurt en het stuit op praktische problemen.
Hoofdstuk 2 Ontwikkelingspsychologische theorieën
2.1 Aanleg of omgeving Worden gedrag en ontwikkeling bepaald door aangeboren of door omgevings- en ervaringsfactoren? Dit wordt aangeduid met nature VS nurture. Van nature VS omgeving. Beide spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling.Nature (nativisten): instinct, talent, groei, temperament en drift. Nurture (omgevingspsychologen): opvoeding, vaardigheid, kennis en ervaring.
Freud en Piaget zijn nativisten. Zij zien ontwikkeling als een proces dat sprongsgewijs verloopt.
2.2 De psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Sigmond Freud (1856-1939)
2.2.1 Es, Ich en Über-ich
Freud onderscheidde drie aspecten van de menselijke geest:
- Es (Id): driften zo spoedig mogelijk bevredigen. à Bepaalt het gedrag van een pasgeboren kind.
- Ich (ego): vormt het realistische element in de persoonlijkheid. Probeert de driftimpulsen uit te stellen, of om te zetten
- Über-ich (super-ego): het geweten of morele standaard. Schuld- en schaamtegevoelens.
in gedrag dat wel door de omgeving geaccepteerd wordt.
2.2.2 De ontwikkelingsfasen
Libido: seksuele drijfveer
Erogene zone: locatie van het lichaam, zoals mond, anus, of genitaliën, die het centrum van lustgevoelens vormt.
- / 3