Opvoedingsmilieus en opvoedingsstijlen
Opvoedingsstijl 1: Autoritair
Een autoritaire opvoedingsstijl kenmerkt zich door veel regels. De ouder is de baas en het kind moet gehoorzamen. Houdt het kind zich niet aan de regels? Dan krijgt hij straf.Autoritaire ouders leggen de regels niet uit en geven geen ruimte voor discussie.
Voordelen Een kind weet heel precies wat zijn ouders van hem verwachten. Zijn ouders zijn overduidelijk de baas en bepalen wat er gebeurt. Sommige kinderen kunnen (tijdelijk) baat hebben bij een autoritaire opvoeding.
Nadelen Een kind kan angstig en volgzaam worden door een autoritaire opvoeding. Of juist opstandig en agressief. In ieder geval ontwikkelt een kind weinig zelfvertrouwen en weinig zelfstandigheid. Hij leert niet om zelf te beredeneren waarom hij iets wil en kan moeilijk beslissingen voor zichzelf nemen. Deze dwingende manier van opvoeden kan voor veel strijd zorgen. Als het kind groter wordt, gaat hij zich steeds meer onttrekken aan zijn ouders.
Het is je verjaardag en je mag trakteren voor de hele groep. Jantje neemt geen snoepje omdat zijn moeder zegt dat dat slecht voor hem is. Als je aan Jantje vraagt of hij er echt geen wilt, zie je hem aarzelen.
Opvoedingsstijl 2: Toegeeflijk (ook wel permissief)
Toegeeflijke ouders hebben veel aandacht voor de wensen en behoeften van hun kind.Ze geven hun kind bijna altijd zijn zin. In feite is het kind de baas en er worden weinig eisen aan hem gesteld. Ouders die deze stijl hanteren, nemen hun kind wel serieus maar zichzelf (of in ieder geval hun eigen regels) niet.
Voordelen Bij deze manier van opvoeden zijn ouder en kind gelijkwaardig. Er doen zich weinig
conflicten voor: het kind mag (bijna) alles.
Nadelen Een kind van permissieve ouders wordt verwend en leert geen grenzen kennen. Hij krijgt weinig feedback, wordt gemakzuchtig en leert niet om rekening te houden met anderen.Bovendien leert hij niet om met zijn emoties om te gaan en om zichzelf te beheersen: hij kan verdrietig, impulsief en agressief worden. Als het kind naar de puberteit gaat, kunnen de opvoeders hun invloed verliezen.
Stefan vraagt of hij gaat buitenspelen. Mama vertelt dat ze zo gaan eten dus dat het eigenlijk niet zo uitkomt. Stefan loopt toch naar buiten en luistert niet. Mama laat hem maar gaan want ze wil niet dat hij boos wordt op haar.
- / 1