Biologie hoofdstuk 5 paragraaf 1 – plantaardige en dierlijke voedingsstoffen voor metabolisme (stofwisseling) moet je veel energierijke stoffen eten, dit zijn
brandstoffen: koolhydraten, vetten en eiwitten. Bouwstoffen (eiwitten &
water) zijn nodig voor de ontwikkeling van spieren. Ook moet je veel drinken omdat je lichaamsgewicht, bestaande voor 2/3 e uit water, op peil te houden.Vetten (bouwstof) zijn nodig voor het maken van bepaalde hormonen. Mineralen zijn nodig voor je botten, en vitaminen als bouw- en regelstoffen. Vetten en koolhydraten kunnen worden opgeslagen als reservestoffen, eiwitten niet.Koolhydraten worden bewaart in de vorm van glycogeen (BiNaS 67F). de vetvoorraad zit onderhuids, in het merg van de holle beenderen en rond de organen. Zonder vet val je af, met te veel kom je aan. Ook in rust gebruiken cellen energie, afkomstig uit de ruststofwisseling!Eiwitten zitten in verschillende maten in voedsel, ook de kwaliteit verschilt. De kwaliteit heeft te maken met de aminozuren waaruit de eiwit is opgebouwd. Een eiwit is een lange keten van aminozuurmoleculen (Binas 67H1). Voor het opbouwen van ’n eiwit, hebben je cellen van elk aminozuur het juiste aantal nodig, heb je er één te weinig, dan kunnen de cellen de eiwitketen niet maken.De lever houdt de hoeveelheid aminozuren in het bloed gelijk, zodat de cellen er gebruik van zouden kunnen maken. 11 v/d 20 aminozuren kan de lever maken door andere aminozuren om te bouwen, dat zijn de niet-essentiële aminozuren. De 9 andere aminozuren kan de lever niet zelf maken, en moet je
binnen krijgen door voedsel: de essentiële aminozuren . Je lichaam heeft geen
aminozuren voorraad, je moet dus eiwitten binnenkrijgen. Variatie moet, dus je moet verschillend eten. Je lever heeft ook energie nodig om de aminozuren om te zetten, we proberen daarom aminozuren te eten die er zo veel mogelijk op lijken, dat zit vooral in vlees. Vegetariërs/veganisten moeten dus nog meer gevarieerd eten.Vetten zitten ook in plantaardige en dierlijke voeding, en de kwaliteit ervan verschilt ook. De bouwstenen van vetmoleculen zijn glycerol en vetzuren.Vetzuren kunnen verzadigd of onverzadigd zijn, dit hangt af van de chemische structuur. Vetten met veel onverzadigde vetzuren zijn beter voor hart en bloedvaten dan vetten met veel verzadigde vetzuren. Onverzadigde vetzuren gaan aderverkalking tegen. De lever kan alleen de niet-essentiële verzuren zelf maken, een deel v/d onverzadigde vetzuren is essentieel, je krijgt ze binnen via voedsel.Planten leveren een belangrijke bijdrage aan onze voeding, ze leveren koolhydraten, water, eiwitten, vetten, vitamines, mineralen en voedingsvezels (niet-verteerbare plantaardige moleculen uit je voeding). Voedingsvezels houden water vast, voor soepele ontlasting, het stimuleert de darmwerking en je krijgt een verzadigd gevoel, waardoor je minder eet. Plantaardig voedsel bevat cellulose, lignine en pectine, die behoren tot de voedingsvezels! 1 / 2
De hoeveelheid energie die planten bevatten, verschilt per product. De hoeveelheid zonlicht, temperatuur en neerslag hebben allemaal invloed hierop.Paragraaf 2 – vrijmaken van energie Planten leggen energie vast in glucose en andere reservestoffen, die planten en dieren gebruiken als brandstof. Bij de dissimilatie (verbranding), komt een deel van de energie vrij als warmte, de rest slaan cellen op in moleculen ATP, chemische energie . ATP (BiNaS 67L) is een energiedrager, met drie fosfaatgroepen. Het ontstaat door ADP te koppelen met ’n derde fosfaatgroep. De ADP laadt dan op met extra energie. ATP geeft z’n energie weer af wanneer de 3 e
fosfaatgroep weer wordt afgesplitst. Alle cellen in je lichaam gebruiken dit ATP- energiesysteem. ATP kan zijn energie weer afgeven aan andere moleculen, bijv.als je gaat sporten, wordt de chemische energie omgezet in bewegingsenergie, kinetische energie!Bij plotselinge inspanning heb je al na 3 seconden ATP tekort, je spiercellen kunnen dat tekort oplossen aan creatinefosfaat. Dit molecuul geeft z’n (energierijke) fosfaatgroep aan ADP, wat energie lever voor 10 seconden. De ATP- en creatinefosfaatvoorraad vormen samen de fosfaataccu in spiercellen.Anaerobe dissimilatie Nathan begint aan zijn training, spiercellen maken energie vrij uit glucose.Wanneer er voldoende O 2 beschikbaar is om een glucosemolecuul volledig af te breken tot H2O en CO2, levert dit veel ATP op, maar maar voor even, uit één molecuul glucose, haal je twee moleculen pyrodruivenzuur (een C3 molecuul), die meteen omgezet worden in melkzuur, -> de melkzuurgisting. Per glucosemolecuul geeft dit net genoeg energie om twee ATP moleculen te vormen uit ADP en P. Het nadeel van melkzuurgisting is de anaerobe dissimilatie, de afbraak zonder O2, het geeft een ophoping van melkzuur, waardoor je spier verzuurt. Je spiercellen vormen het melkzuur terug tot pyrodruivenzuur, wat je mitochondriën verder afbreken, wat extra ATP oplevert. 20% van de melkzuur wordt verwerkt door het via je bloed naar je levercellen te sturen, je levercellen zetten het om in glucose, wat energie kost, maar wel bruikbare brandstof oplevert.Aerobe dissimilatie Door flink te ademen bij inspanning, krijg je genoeg O2 binnen voor verbranding van glucose. De anaerobe dissimilatie verschuift dus steeds meer naar aerobe dissimilatie. Bij de aerobe dissimilatie wordt glucose in twee moleculen pyrodruivenzuur gesplitst, waar enzymen ze in het mitochondrium afbreken tot CO2 en H2O. Wat genoeg energie lever voor max 36 ATP extra, er komt dus 2x zoveel ATP vrij als bij anaerobe afbraak. 38 ATP ipv 2.
Reactievergelijking aerobe dissimilatie:
- / 2