Persoonlijkheidsleer Openingscollege woensdag - 12/02/2025 Persoonlijkheid is de set psychologische trekken ( traits ) en mechanismen binnen het individu die zijn geordend en redelijk stabiel zijn over de tijd. Persoonlijkheid heeft invloed op interacties en aanpassingen aan de intrapsychische, fysieke en sociale omgevingen. De traits zijn kenmerken waarin individuen van elkaar verschillen of overeenkomen.
1.Persoonlijkheidsonderzoek, karaktertrekken (traits):
-Hoeveel trekken zijn er en hoe zijn deze georganiseerd? Wat is de oorsprong van deze trekken en wat de gevolgen?-Kennis kan helpen bij het beschrijven van persoonlijkheidsdimensies, het verklaren van gedrag en het voorspellen van toekomstig gedrag.
2.Psychologische mechanismen, het proces van persoonlijkheid:
-Cognitieve processen betrokken bij informatieverwerking.
3.Geordend en stabiel:
-Individuen blijven min of meer dezelfde personen in verschillende contexten en door de tijd heen.-Georganiseerd op een coherente manier (zoals behoefte aan voedsel en intimiteit).
4.Interactie met en aanpassing naar omgeving:
-Perceptie = interpretatie van omgeving.-Selectie = welke situatie kiezen we.-Evocaties = reacties die we vaak onbewust bij anderen teweegbrengen.-Manipulaties = manieren waarop we anderen bewust proberen te beïnvloeden.-Adaptieve functie persoonlijkheid = om doelen te bereiken moet je aanpassen/bokstellen/uitdagingen aangaan.-Fysieke omgevingsfactoren = bedreigingen, kansen zien.-Intrapsychische omgeving = persoonlijke herinneringen, verlangens, ervaringen.
3 niveaus van persoonlijkheid:
Human nature; zoals iedereen, universeel, ‘typisch menselijk’ zoals taal en de behoefte om ergens bij te horen.Individuele en groepsverschillen; zoals sommigen, bijvoorbeeld de mate van aanwezigheid van bepaalde trekken, cultuurverschillen, genderverschillen.Individuele uniciteit; alleen jij. 1 / 3
6 domeinen van kennis:
Dispositioneel; trekken, neigingen. Waar zijn wij toe geneigd?Biologisch; genen, psychofysiologie en evolutie.Intrapsychisch; mentale mechanismen/conflicten (vaak onbewust).Cognitief-ervaring; gedachten, gevoelens, ervaringen, maar ook intelligentie.Sociaal en cultureel; cultuur, sociale omgeving, gender(rollen).Aanpassing; coping, adaptie.Psychoanalyse (Freud, 1900) Mensen hebben een vaste hoeveelheid psychische energie. Deze energie zet alles wat ons motiveert in werking.Psychisch determinisme; ‘niets gebeurt zomaar’ (Freudian slips).De meeste symptomen van mentale ziekten worden veroorzaakt door onbewuste motieven.Een verandering van persoonlijkheid is een herbepaling van de psychische energie.
De structuur van de persoonlijkheid:
Ego; bewustzijn en pre-bewustzijn (hier en nu).Superego; pre-bewustzijn (opgeslagen herinneringen waar je bij kunt), moraal, geweten.Id; on(der)bewustzijn, primitieve grootste deel van de menselijke geest.
Verdedigingsmechanismen tegen angsten:
Repressie; ego onderdrukt verboden impulsen vanuit id en voorkomt juiste weergave van de realiteit.Ontkenning; weigeren iets (in) te zien, negatief effect op geheugen.Displacement; het object van een onacceptabele impuls wordt vervangen door een acceptabele. Gaat over verlangen.Rationalisering; bijvoorbeeld oorzaak buiten jezelf leggen.Projectie; onhebbelijkheden toeschrijven aan anderen of false consensus effect.Sublimatie; omvormen van onacceptabele impulsen naar iets sociaal geaccepteerd. Gaat over gedrag.
Technieken:
Vrije associatie; ontdekken van onbewuste oorzaken en problemen.Droom analyse; manifeste en latente inhoud (symboliek).Projectieve technieken; wat je ziet in ambigue plaatjes reflecteert persoonlijkheid.Transference; soort rollenspel. 2 / 3
Cognitief onbewustzijns perspectief (Bargh); informatie kan zonder bewust verwerkt te worden, gedrag beïnvloeden. Bijvoorbeeld invloed van subliminale aanbieding stimuli op gedrag. Het onderbewustzijn wordt veel vrediger, rationeler, regel gebonden en specifieker beschreven dan bij Freud.
Egopsychologie:
Doel van ego; bepalen van identiteit, dit gaat om persoonlijke groei en het leren kennen van je omgeving.Manier van coping en benutten van beschikbare bronnen bij bedreiging en welzijn bepalen de persoonlijkheid.Adequate coping -> groei.Inadequate coping -> psychopathologie.
Objectrelaties theorie (Melanie Klein):
Een kind wordt gevormd door de relaties met anderen, vooral met volwassenen. Deze relaties worden geïnternaliseerd door de kinderen en deze eerste sociale hechtingen vormen een template voor latere betekenisvolle relaties.EriksonFreud Persoonlijkheid rijpt het hele leven.Persoonlijkheid rijpt met 5 jaar.Sociale ontwikkelingsconflictenSeksuele conflicten.Fixatie.Fixatie.Positief mensbeeld (groei). Negatief mensbeeld (pathologie).Egopsychologie. Id psychologie.
- / 3