PLUG ADVOCATEN
Rechtbank Amsterdam Meervoudige strafkamer Het arrondissementsparket Amsterdam Zitting: 3 december 2017 te 09:00 uur
Parketnummer: 15/200150-19
PLEITNOTA MR. R.S. PLUG
Inzake:
Frank Bos Domicilie kiezend ten kantore van Plug Advocaten, Concertgebouwplein 19, 1071 LM verdachte
advocaat: mr. R.S. Plug
Contra:
Het Openbaar Ministerie
- / 3
Edelachtbare leden van de rechtbank, mijnheer/mevrouw de voorzitter, I.Inleiding 1.Vandaag staat cliënt, de heer Frank Bos (hierna ‘’cliënt’’), terecht voor ernstige ten laste gelegde feiten.
2.Cliënt wordt verweten zich ten eerste primair schuldig te hebben gemaakt aan poging doodslag subsidiair poging zware mishandeling en zich tevens primair schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van een ambtenaar in functie subsidiair mishandeling van een ambtenaar in functie met zwaar letsel ten gevolge. Alles draait in het strafrecht echter om verwijtbaarheid. De vraag
in casu is dan ook: hoe verwijtbaar is het handelen van cliënt?
II.Feiten
3.Cliënt reed ‘s avonds rond 22:00 uur op weg naar huis en moest ontzettend
nodig plassen. Zo nodig dat hij het echt niet meer op kon houden. Als we eerlijk zijn, kennen we dat gevoel allemaal. Op dat moment zag cliënt een verlaten autosloopbedrijf waarvan het hek open stond. Ik wil niet concluderen dat cliënt dacht ‘’JACKPOT’’, maar opgelucht haalde hij wel adem. Niet wetende wat hem te wachten stond.
4.Op het moment dat cliënt zijn blaas leegde tegen een auto die klaar was voor de sloop, kwam aangever al schreeuwend op zijn racefiets richting cliënt.Cliënt schrok dusdanig van het geschreeuw, tevens niet wetende dat de woedende man de eigenaar van het terrein was, dat hij meteen in zijn auto sprong en wegreed richting het openstaande hek.
5.Wat cliënt echter niet wist is, is dat aangever hem achterna kwam en voor het hek was gaan staan. Voordat cliënt zich dan ook daadwerkelijk kon realiseren wat er gebeurde, verscheen aangever voor het hek met zijn fietshelm nog op.Aangever sprong opzij en cliënt reed vervolgens door het hek.
6.Een kat in het nauw maakt rare sprongen en dat is exact wat er in casu aan speelt. Want cliënt had de situatie graag willen uitleggen aan aangever, echter is hij van schrik weggereden. De vraag in casu is echter of deze kat in het nauw ook daadwerkelijk iets te verwijten valt. Zo niet, dan dient vrijspraak te volgen.III.Feit 1 primair poging doodslag subsidiair poging zware mishandeling 7.Het lijkt mij allereerst voor wat betreft de kwalificatie dat het te zwaar gegrepen is deze te kwalificeren als een poging doodslag. Uiteraard zou de rechtbank hierbij steun kunnen vinden in de verklaring van aangever; waarin deze verklaard dat hij genoodzaakt was opzij te springen. Echter, had ik allereerst graag beelden gezien waarin de positie van het voertuig waarin 2 / 3
cliënt zich ten opzichte van aangever kon worden opgemaakt. Derhalve had er kunnen worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake was van ‘’noodzaak’’. Er kan namelijk een wezenlijk verschil liggen in de interpretatie van de afstand en de daadwerkelijke afstand.
8.Dit gezegd hebbende komt de verdediging graag tot de kern van de zaak. De verdediging bepleit hierin namelijk vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde met betrekking tot feit 1. Uit de bewijsmiddelen kan namelijk niet worden afgeleid dat cliënt opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is namelijk sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg – in dit geval de dood – zou intreden. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval 1 .
9.Uit onafhankelijk onderzoek is gebleken dat bij een botsing tussen een (onbeschermde) voetganger en een voertuig dat de snelheid heeft van 25 k/m per uur de kans op de dood slechts 1% is. In casu droeg aangever wél hoofdbescherming – zoals ook volgt uit het proces-verbaal van aangever afgelegd bij de politie – namelijk een helm. Ook is uit het onderzoek van de NFI gebleken dat cliënt 20 k/m per uur reed. De kans op de dood zal derhalve lager uitvallen dan 1% en is derhalve niet aanmerkelijk te noemen.
10.Hiermee samenhangend - uitgaande van verklaring van cliënt - heeft hij ook daadwerkelijk gezien dat Teun zijn racefiets helm nog op had en had hij er vertrouwen in dat Teun weg zou springen. Cliënt ging derhalve uit van een goede afloop en heeft de ‘’denkbeeldige aanmerkelijke kans’’ niet aanvaard.
11.Ook met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde van feit 1 is opzet vereist. Namelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Echter ook hiertoe ontbreekt zelfs de lichtste vorm van opzet. Door de geringe snelheid waarmee cliënt reed, kan niet worden vastgesteld dat indien cliënt aangever had geraakt, dit zwaar lichamelijk letsel zou opleveren. Evenmin kan worden vastgesteld dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht is geweest op zware mishandeling van Teun. Verdachte is namelijk - uitgaande van zijn verklaring – uitgegaan van een goede afloop; hij dacht dat Teun wel aan de kant zou gaan.
12.Derhalve pleit de verdediging voor vrijspraak van feit 1 nu hoe je het ook wendt of keert, cliënt geen opzet had op noch de dood noch op zwaar lichamelijk letsel van aangever.1 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD013 (Porsche) r.o. 5.3 en HR 19 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8716 (Aanmerkelijke kans) r.o. 5.2
- / 3