3.1 De remmen los Kenmerkende aspecten 1.De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.
2.De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie.
3.De eenwording van Europa.
4.De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.
5.De ontwikkeling van een pluriforme en multiculturele samenlevingen.Verzuiling Tussen de twee wereldoorlogen was de verzuiling hét kenmerk geworden van de Nederlandse samenleving. De vier zuilen: katholieke, protestants-christelijke, socialistische, liberale. Iedereen ging alleen met hun eigen zuil, behalve de leiders, want zij moesten samen afspraken maken.Wederopbouw Op 5 mei 1945 veel vreugde door het einde van de bezetting. De vreugde duurde niet lang, omdat 1/18 Nederlanders zijn huis was verloren. Het ging economisch niet goed met Nederland, totdat de VS te hulp schoten met het Marshallplan. Nederland kreeg gemiddeld véél meer als de andere Europese landen. Een gevolg hiervan is dat Nederland tijdens de Koude Oorlog aan de kant van de Amerikanen stond. Nederland bleef eerst altijd neutraal, daarna samenwerken met de andere West- Europese landen en de VS.Babyboom Na de bevrijding trouwden er zoveel stellen, dat het gevolg een babyboom ontstond. Dit werd voor de Nederlandse regering een grote uitdaging, omdat er allerlei extra voorzieningen moesten worden gebouwd en voor later ook nog banen en huizen.Industrialisatiepolitiek De overheid speelde een actieve rol bij het herstellen van de economie. Eerst werd er op vertrouwd dat de werkloosheid zichzelf zou oplossen door de ‘wet van vraag en aanbod’. Maar na de oorlog besloot de overheid zich actief met de economie te bemoeien. De minister van Economische zaken besloot de industrie actief te stimuleren. De regering stelde geen planeconomie op, maar beperkte zich tot het scheppen van de juiste voorwaarden. Dit werd succesvol.De rooms-rode coalitie Het snelle economische groei was niet vanzelfsprekend. Slechte omstandigheden: geruïneerd land met een lege schatkist. Een typisch Nederlandse oplossing: veel overleggen, compromissen. Dit was mede mogelijk omdat van 1948 tot 1958 de katholieken (KVP) en de socialisten (PvdA) een coalitie vormden: de rooms-rode regeringen. De regering besloot tot een geleide loon politiek. Als de lonen laag waren, werden de Nederlandse producten goedkoper dan buitenlandse producten, dan kon de export toenemen. Staat ook gelijk aan meer geld dat geïnvesteerd kon worden in industrieterreinen, machines, infrastructuur en dergelijke. Hiervoor moesten de arbeiders ook afzien van loonsverhoging, en kon alleen succesvol zijn als de vakbonden er ook mee instemden. De twee belangrijkste vakbonden hoorde bij de katholieke en socialistische zuil, de regering.Maakbare samenleving In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 braken de dijken op 70 plaatsen door een zware storm.Delen van Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant kwamen onder water te staan en 1836 mensen kwamen om het leven en een groot deel van het vee verdronk. De overheid stelde het Deltaplan op. 1 / 2
De dijk werden volgens de nieuwste wetenschappelijke technieken verhoogd en versterkt worden.Voortaan maakte de ingenieurs de dienst uit. Zo lieten ze samen met de technici de maakbaarheid van het land zien. De samenleving werd ook merkbaar, doordat het met de welvaart de goede kant op ging, nu was het welzijn aan de beurt. Een groeiend leger van pedagogen, sociologen, psychologen en welzijnswerkers voedden de mensen op tot deugdzame burgers. Deze periode werd beschouwd als kleinburgerlijk, saai en braaf.Verzorgingsstaat De eerste stap naar sociale zekerheid werd al in 1947 gezet. Willem Drees schreef een Noodwet die garandeerde dat alle ouderen een minimuminkomen konden krijgen. Tien jaar later ontstond de AOW. In de jaren vijftig en zestig werd in een reeks sociale wetten het recht op hulp geregeld voor de kwetsbare groepen. Een belangrijk moment in de opbouw van de verzorgingsstaat was de invoering van de bijstandswet in 1965. Dankzij het stelsel van sociale wetten was de economische gelijkheid
toegenomen: elke Nederlander kon beschikken over een minimumloon.
Consumptiemaatschappij De Nederlandse economie groeide dankzij de industrialisatiepolitiek en de geleide loonpolitiek. De groei werd ook gestimuleerd door het snelle herstel van West-Duitsland. De waarde van de import en export naar West-Duitsland steeg enorm. Ook werd in 1959 in Groningen een groot aardgasveld opgeboord. Aan het begin van de jaren zestig werd de geleide loonpolitiek losgelaten. de werknemers mochten eindelijk gaan profiteren. Door de toegenomen welvaart werd Nederland in een korte tijd een consumptiemaatschappij. Nederland volgde Amerika en mensen werden aangespoord om luxeproducten te kopen. Ook werd de vakanties steeds verder gehouden.Slaapsteden Ondanks de welvaart bleef de woningnood een probleem. Tijdens de jaren vijftig en zestig werden op veel plaatsen flats als dé oplossing gezien. Hoogbouw was efficiënt, comfortabel, hygiënisch en goedkoop. Het gevolg hiervan was verstedelijking. De grote steden groeide nauwelijks, deze werden gezien als overvol, vuil en onveilig. De mensen die in de buurt van de grote steden gingen wonen werden forenzen. De forenzensteden oftewel ‘slaapsteden’ werden gezien als kleurloos, fantasieloos en saai, terwijl de oude steden juist bruisend van karakter waren.Ontzuiling Door de opkomst van de verzorgingsstaat werden mensen minder afhankelijk van hun zuil. Wie geen inkomen meer had, hoefde niet naar de kerkelijke organisatie. Steeds meer mensen raakten ervan overtuigd dat zij de pastoor of dominee niet nodig hadden. Door verstedelijking en mobiliteit raakten mensen ook steeds meer in aanraking met andersdenkenden. Hierdoor kwam de ontzuiling op gang.Een ontwikkeling die zich tegelijkertijd optrok was de ontkerkelijking.Veranderend politiek landschap Door de ontzuiling veranderde het politieke landschap sterk. Eind jaren vijftig kwam er een eind aan de rooms-rode regeringen. Er kwamen steeds wisselende coalities tot stand. Tot de verkiezingen van 1967 konden de partijen rekenen op hun zuil. Maar de groep ontevredenen groeide. De belangrijkste nieuwe partij die wilde veranderen en moderniseren was D66. De partij wilde gewone burgers bij de politiek betrekken. Er kwamen steeds meer nieuwe kleine partijen De nozems De jeugd die in de jaren zestig opgroeide kon dankzij de toenemende welvaart over steeds meer geld beschikken. Vooral de tieners uit arbeidsgezinnen was de jongerencultuur aantrekkelijk. Voor deze jongeren die zich onderscheidden van hun ouders werd in 1955 de naam ‘nozem’ bedacht:
- / 2