samenvatting basisvaardigheden grammatica hoofdstuk 1 woordbenoemen oefentoets kernbegrippen tentamen PABO toelatingstoets 1 / 3
samenvatting basisvaardigheden grammatica hoofdstuk 1 woordbenoemen oefentoets kernbegrippen tentamen PABO toelatingstoets 2 / 3
samenvatting basisvaardigheden grammatica hoofdstuk 1 woordbenoemen oefentoets kernbegrippen tentamen PABO toelatingstoets Dit zal wel dom klinken, maar ken je de geur van gummetjes en potloden van de basisschool nog? Ik heb hetzelfde sentiment bij dit document. Er komt weer een vloed aan (hele logische) kennis en vooral herinneringen voorbij. Ow ja dat was ook zo. Met de tijd vergeet je gewoon dingen. Alles is heel logisch en prettig uitgelegd SUCCES!!!!
1.1 Lidwoord
Bepaalde lidwoorden: de, het
Onbepaalde lidwoord: een
Als het of een niet in combinatie met een zelfstandig naamwoord voorkomt, noem je het geen lidwoord.-In heb het gezien -Het sneeuwt al twee dagen -Een of twee minuten geleden Soms kom je een oude naamvalsvorm van de lidwoorden tegen, zoals der en des.-Leden der Staten Generaal -Vader des vaderlands 1.2 Zelfstandig naamwoord Woorden waar de, het, een voor kan.Zelfstandige naamwoorden benoemen meestal mensen, dieren of dingen. Ook eigenschappen, idealen, ruimten, tijden en hoeveelheden zijn zelfstandige naamwoorden. Meestal staat er een lidwoord voor het zelfstandig naamwoord. Een
zelfstandig naamwoord heeft de volgende kenmerken:
1.Zelfstandige naamwoorden kun je verkleinen Boot
- bootje
2.Zelfstandige naamwoorden kun je in het meervoud zetten Boot - boten 3.Soms kun je van een andere woordsoort een zelfstandig naamwoord maken Het gaat stormen (werkwoord) Het stormen hield maar niet op (zelfstandig naamwoord) Als je een lidwoord voor een werkwoord zet, verandert het werkwoord in een zelfstandig naamwoord.-Het gaat stormen (werkwoord) -Het stormen hield maar niet op (zelfstandig naamwoord)
Voorbeeld:
-Mijn hond heeft na een minuut al genoeg van het rennen.-Het roken van een sigaret is hier verboden
- / 3