Samenvatting Begeleiding bij rekenonderwijs leren rekenen( ERDW= ernstige reken wiskundeproblemen & dyscalculie) 1.1 visie op reken-wiskundeonderwijs ●vakbekwame leerkracht houdt rekening met tempo, vaardigheidsniveau, motivatie en welbevinden.●11 kerndoelen en voor elk kerndoel zijn leerlijnen beschreven.●basis wordt gelegd van de kleuterjaren tot en met groep 5. meestal daarna problemen ontdek maar je kan ze al eerder ontdekken.●AFSTEMMINGSPROBLEMEN : problemen die ontstaan als het onderwijs niet meer aansluit bij de onderwijsbehoeften. langere tijd ondervraagt over overvraagt, meer kans op emotionele problemen(faalangst, gevoel niet gezien te worden) ●werken met protocollen uit de ERDW biedt leerkrachten handvatten om de lessen af te stemmen op de ontwikkeling van iedere leerling in hun groep. dat leidt tot het ontwikkelen functionele gecijferdheid voor alle kinderen.
1.2 functionele gecijferdheid
●FUNCTIONELE GECIJFERDHEID : adequaat kunnen handelen met getallen, maten en
hoeveelheden in functionele, dagelijkse siuaties ●schoolse rekenen(2x6=) en het functionele rekenen(6 kinderen en ieder 2 koekjes, hoeveel hebben ze samen). De cito toets vraagt vooral naar de functionele gecijferdheid(laatste voorbeeld)
1.3 professionele gecijferdheid: eigen vaardigheid van de leerkracht
●referentieniveau 2f: minimumdoel van het onderwijs voor functionele gecijferdheid
●niveau van een leerkracht: eigen vaardigheid 3f en vakdidactische kennis.
●1F: fundamentele kwaliteit niveau (basiskennis/vaardigheden die kinderen eind basisschool moeten beheersen) 1S: streefkwaliteit niveau(niveau beheersen voor aansluiten op een hoger niveau) ●2F: fundamentele niveau(eind vmbo basis, kader, mbo niveau 1 en 2. dit is het niveau dat nederlanders moeten hebben om goed in de samenleving te kunnen functioneren) 2S: gemengde en theoretische leerwegen bereiken de streefkwaliteit van het 2e niveau, ●3F: fundamentele kwaliteit niveau (eind havo & mbo 4) 3S: overlapt deels het 4F niveau ●4F:fundamentele kwaliteit niveau (vwo), 4S: eind hbo & wo (wetenschappelijk onderwijs)
1.4 professionele gecijferdheid: vakdidactische kennis van de leerkracht
●de professionele gecijferdheid van leerkrachten betreft zowel de inhoudelijke reken- wiskundige kennis als de vakdidactische kennis, vaardigheden en inzichten die de leerkracht 1 / 3
nodig heeft om het leren van reken-wiskunde door de basisschoolleerlingen mogelijk te maken.
2.0 hoofdfasen in de leerlijn ●model hoofdfasen in de leerlijn(leerlijnenmodel)is een hulpmiddel om het onderwijs af te stemmen op de leerbehoeften van de kinderen ●er zijn vier rekendomeinen: 1. getallen en bewerkingen, 2. meten en meetkunde, 3.verhoudingen, 4. verbanden. en daarvan is elk domein opgebouwd uit meerdere leerlijnen ●elke leerlijn doorloopt de 4 fasen van het leerlijnenmodel ●de leerkracht gebruik het leerlijnenmodel om lessenseries gefaseerd op te bouwen en daarbij de rekenontwikkeling van leerlingen te volgen, te begeleiden en te stimuleren.
2.1 hoofdfase 1: begripsvorming
●begin van elke nieuwe leerlijnen, begripsvorming: leerkracht bouwt voort op wat hij/zij al kan.het gaat om het opbouwen van rekenkennis, rekenconcepten en de rekentaal die daarbij hoort. bijv. je leert te vermenigvuldigen door het te herkennen als een handige manier van verkort optellen(3+3+3+3 is 4 groepjes van 3 of 4x3) en ze leren de rekentaal die erbij hoort(4 keer(x)3) ●maak het inzichtelijk en misschien wel tastbaar, betekenisvolle contexten en werkelijke situaties om het visueel te maken. ze bouwen een cognitief netwerk op van rekenfeiten, reken taal en rekenvaardigheden.Als de leerkracht steeds kan aansluiten bij wat leerlingen al weten en begrijpen(het cognitieve netwerk dat zij al hebben) om daar via activiteiten in een betekenisvolle context nieuwe kennis aan toe te voegen, wordt de kennis van de leerlingen steeds verder uitgebreid en verdiept.De tafels: je begint met herhaald optellen 3+3+3, dan is de tafel 3x3 de verkorte vorm van herhaald optellen. je moet de tafel uit je hoofd gaan leren om te goed te kennen en de verkorte versie toe te passen.●ontwikkelen van rekentaal: informele rekentaal: taal die kinderen spelenderwijs gebruiken in alledaagse situaties waarbinnen ze rekenen en/of rekenbegrippen hanteren. formele
rekentaal: rekenbegrippen op school, erbij eraf etc.. en natuurlijk de symbolen
bij taalzwakke leerlingen is,om verwarring te voorkomen, eenduidig taalgebruik van belang. laat deze leerlingen juist vertellen en verwoorden wat ze denken en doen bij een rekenopgave. deze interactie 2 / 3
is zowel belangrijk met de leerkracht als de klasgenoten in groepsverband. ook bij deze leerlingen is het juist belangrijk om contextopgaven te maken(juist vaker hiermee werken om achterstand te kunnen inlopen) waarbij de leerkracht expliciet aandacht geeft aan de formele rekentaal(alle stappen moeten expliciet gezet worden). zwakke leerlingen leren door het te verwoorden om te leren doorzien of verschillende bewerkingen te ontdekken en te bespreken.daarnaast is feedback en nabespreking belangrijk waarbij het verlenen van de betekenis centraal staat. laat het kind zelf nadenken en geef hem/haar de tijd.het uitbreiden van instructietijd en het bieden van het verlengde instructie, afgestemd op de individuele leerlingen, kan nodig zijn voor kinderen die meer tijd nodig hebben of meer instructiemomenten nodig hebben. deze instructie wordt afgestemd op wat de leerling al wel binnen bereik heeft en moet in de verlengde instructie vooral de kinderen laten denken, handelen en overleggen.(dus niet op dezelfde manier weer gaan uitleggen)
hoofdfase 2: het ontwikkelen van procedures en strategieën
●de nadruk ligt op het kiezen van de oplossingsstrategie en het stap voor stap doorlopen van de oplossingsprocedure, waarbij modellen actief ingezet kunnen worden. doel: ontwikkelen van een netwerk van strategieen, steunpunten en gebruikmaken van geschikte modellen waarmee de leerling tot het juiste antwoord komt.●belangrijk!!!! let erop of de kinderen de procedures niet alleen gebruiken en beheersen maar ook begrijpen. voor het gebruik van strategieën moet je kunnen vertrouwen op je voorkennis(cognitieve netwerk) 2.2.1. oplossingsprocedures ●bij het aanleren van een nieuwe procedure moeten alle leerlingen betrokken worden(ook sterke rekenaars om omslachtige oplossingswijzen te voorkomen). elke leerlijn biedt een procedure die voor alle leerlingen binnen hun mogelijkheden ligt. als ze deze strategie beheersen kunnen ze variastrategieen leren en kan de overstap naar een meer formele notatiewijze ●onder oplossingsprocedures verstaan we alle rekenhandelingen die gericht zijn op het het
uitrekenen van de bewerking. bij het toepassen van deze procedures:
1.gebruiken leerlingen gememoriseerde en geautomatiseerde rekenkennis gememoriseerde kennis: kennis direct uit het geheugen opgeroepen(tafels, splitsen
tot 10, optellen aftrekken tot 20) geautomatiseerde kennis: strategieën en
procedures zodanig beheersen dat ze het zelfstandig kunnen toepassen om tot een vlot en goed antwoord te komen.bij uitrekenen van opgaven is binnen vrijwel alle leerlijnen beheersing van de basisbewerkingen(optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen) noodzakelijk.
2.hoofdrekenen en rekenen op papier
hoofdrekenen: tijdens rekenen met het hoofd worden alleen tussenantwoorden
genoteerd en veel aandacht besteed aan ‘handig rekenen”:handig gebruik maken van eigenschappen van getallen en bewerkingen waardoor de oplossing gemakkelijker en sneller gevonden kan worden(bijv. 264+99=264+100-1) bij het rekenen op papier leren de kinderen gebruik te maken van standaard algoritmes: het noteren van een vaste methode om tot de oplossing te komen,bijv. de lege getallenlijn,kolomsgewijs rekenen en cijferend rekenen(worden op verschillende momenten in de leerlijn geïntroduceerd)
- / 3