Samenvatting boek Anatomie Fysiologie
1,2,3
- / 4
Leerdoel hoofdstuk 1 2 3 reactievermogen: organisme reageren op verandering in hun onmiddelijke omgeving → prikkelbaarheid
Groei: organismen nemen in omvang toe door deling van cellen.
beweging: inwendig→ transport van bloed anderen stoffen
Uitwendig→ voortbeweging door de omgeving stofwisseling: organismen zijn afhankelijk van complexe chemische reacties om de energie te leveren die nodig is voor het reactievermogen → de groei, voortplanting en beweging.stofwisseling (metabolisme) stofwisselingreactie → is het nodig stoffen uit de omgeving op te nemen om zo energie vrij te maken.de opname het vervoer en het verbruik van zuurstof door de cellen → RESPERATIE
HOMEOSTAGE:
orgaanstelsel zijn onderling afhankelijk en verbonden en ze nemen een betrekkelijke kleinte ruimt in.De cellen weefsels organen en orgaanstelsel van het lichaam werken samen in een omgeving.om stabiel intern milieu te handhaven = homeostase anatomie = studie van structuur → in en uitwendige structuren en fysieke relaties tussen lichaamsdelen fysiologie = studie van functie manier waarop levende organismen hun vitale functies verrichten de organisatieniveaus van het menselijk lichaam beschrijven; Organisatie niveaus Chemische niveau → atomen → kleinste stabiele bouwstenen → verbinden zich met elkaar tot molecuul → elk molecuul heeft andere vorm = functie van molecuul per vorm anders celniveau → verschillende moleculen zijn een cel. → elk molecuul heeft een andere functie in de cel → CEL KLEINSTE LEVENDE EENHEID weefselniveau → cellen van het zelfde typen die samenwerken om een specifieke functie uit te voeren.orgaanniveau → een orgaan bestaat uit twee of meer verschillende weefsels die samenwerken voor 1 functie. Bijv. het hart orgaanstelsel niveau → organen werken samen in orgaanstelsels.
Bijv: cardiovasculair stelstel → hart, bloedvaten en bloed
organisme niveau → alle orgaanstelsel in het lichaam werken samen → het mensde orgaanstelsels en hun hoofdfuncties benoemen; Orgaanstelsel Functies De huid Beschermt lichaam tegen gevaren omgeving /reguleren lichaamstemperatuur Beenderstelsel skelet Ondersteuning, beschermt weefsels, opslag mineralen en vormt bloedcellen Spierstelsel Beweging, stevigheid, produceert warmte Zenuwstelsel Maakt Gelijk reactie op prikkels, coördineren van activiteiten van andere orgaanstelsels Endocrien stelsel Regulering langdurige veranderingen in activiteiten in andere orgaanstelsels Cardiovasculair stelsel Transporteert cellen, opgeloste stoffen, voedingstoffen, afvalstoffen en gassen Lymfestelsel Verdedigt tegen infecties, ziektes, zorgt voor terug keer weefsel vocht in bloedsomloop Ademhaling stelsel Transporteert lucht naar plaatsen waar gaswisseling plaats vindt, tussen buiten lucht en circulerend bloed. Produceert geluid Urinair stelsel Verwijderd overtollig water zout en afval 2 / 4
Voortplanting stelsel Produceert geslachtscellen en hormonen
Bij vrouwen: ondersteund embryonale en foetale ontwikkeling van
bevruchting tot geboorten de meest gebruikte anatomische termen herkennen en gebruiken; anatomie = studie van structuur → in en uitwendige structuren en fysieke relaties tussen lichaamsdelen
negatieve en positieve feedback:
belangrijkste kenmerk
negatieve feedback:
veroorzaakt een prikkel een reactie die de oorspronkelijke prikkel tegengaat. → Wekt een variatie buiten de normale grenzen een automatische reactie op waardoor de situatie word gecorrigeerd positieve terug koppeling→ brengt prikkels te wegen waardoor de oorspronkelijke prikkel word versterkt.Bloedstolling weeën
anterior en ventraal = voorzijde posterior en dorsaal = achterzijde craniaal -> bovenkant caudaal-> voeteind Proximaal → naar het lichaam toe distaal → van het lichaam af 3 / 4
Lateraal → zijaanzicht superior → hoger inferior → lager
Transversaal →horizontaal sagitaal →naast lengte as= scheid rechts en links midsagitaal = precies in het midden frontaal → scheid voor en achterkant
de belangrijkste termen van het moleculaire organisatieniveau uitleggen; Leerdoelen fysiologie = studie van functie manier waarop levende organismen hun vitale functies verrichten atoom→ elementair deeltje van de materie = alles wat ruimte inneemt en massa heeft = materie →bestaat uit stoffen dat elementen word genoemd (kleinste stabiele eenheid van materie is atoom
- sub atomen
protonen (p+) positief elektrisch geladen neutronen (n0) ongeladen elektronen (e-) negatief geladen = veel lichter dan proton alle atomen bevatten deze protonen en elektronen in gelijk aantallen → aantal protonen in een atoom → atoomgetal alle atomen van 1 element bijvoorbeeld helium hebben allemaal het zelfde atoomgetal.of waterstof heeft altijd 1 als atoomgetal. Omdat het maar 1 proton bevat.Waterstofatoom→ bestaat uit een kern die een proton en GEEN neutron bevat. Rond de kern beweegt de elekrton Elektronschil→ kan 2 elektronen bevatten → 2 schillen. De 2 e schil kan maximaal 8 elektronen bevatten.de biochemische structuur van de belangrijkste organische verbindingen herkennen;
zuurstof O Koolstof C waterstof H stikstof N → onderdeel van eiwtten, nucleinezuren en andere organische verbindinge calcium Ca→ benderen, tanden. Membraanfuncties zenuwimpulsen,spiercontractie bloedstolling fosfor P→ beenderen en tanden, nucleinezuren en energieke verbindingen Kalium K→ membraanfuncties zenuwimpulsen spiercontracties natrium Na→ membraanfuncties zenuwimpulsen spiercontracties
- / 4