Samenvatting Economie h1 vwo3
Paragraaf 1:
Economie gaat voer kiezen. Bij het maken van keuzes ben jij betrokken maar ook producenten (ondernemingen). Eten dat op je bord ligt is onderneming
Consumenten:
Om de keuzes die een mes maakt te begrijpen, kijken we naar behoeften en de middelen
Behoeften: betekent dat je een goed of dienst nodig hebt of graag wilt hebben
Eerste levensbehoeften: zij goederen en diensten die een mens nodig heeft om te overleven Luxe producten: zijn goederen en diensten die een mens koopt om het leven comfortabeler te maken.
Middelen: zijn tijd en geld voor een mens
Geld dat iemand verdient door te werken heet inkomen Ook geld bv zakgeld van je ouders Dat geld kun je op een sparrekening zette, Je kunt je geld één keer uitgeven en tijd één keer besteden De mens heeft onbeperkte behoeften en beperkte hoeveelheid geld en tijd dit word ook schaarste genoemd.Kenmerk goederen: je kunt ze aanraken, tastbaar, het is materiaal. Diensten kun je niet aanraken, ontastbaar of immaterieel. Diensten kan je geen voorraad aanleggen en productie consumptie vallen samen.Het kopen van goederen heet consumptie. Omdat consument moet betalen ontstaat er op moment van consumptie een geldstroom. Van consument naar product.Goederenstroom gaat van de producent naar de consument op het moment van de aankoop van het goed. Vaak staat er tegenover en geldstroom. Andersom is dat niet altijd het geval. Geld dat je op een spaarrekening zet, leidt niet tot een goederenstroom.
Producenten:
Producenten produceren goederen en diensten die consumenten kopen. Grondstoffen is iets dat je nodig hebt om iets te produceren. Om iets te maken heb je ook elektriciteit nodig dat is een hulpstof. De middelen die nodig zijn om te produceren zijde productiefactoren. Tijdens de productie worden de grond en hulpstoffen met inzet van productiefactoren omgezet in het eindproduct. Er zij 4
productiefactoren:
Arbeid: de werkemers
Kapitaal(goederen): bv fabriek, machines en vrachtwagens
Natuur: de grond waar de fabriek op staat
Ondernemerschap: de eigenaar van de fabriek
Het verschil tussen de omzet en de koste nvan de grond en hulpstoffen noemen we de toegevoegde waarde. 1 / 2
De werkemers ontvangen loon en leveren daarvoor arbeid. De Beloning voor de inzet van de productiefactoren noemen we de primaire inkomens. Er zijn er 5 Productiefactor beloning
Arbeid: loon
Kapitaal(goederen): Rente en huur
Natuur: Pacht
Ondernemerschap: winst
Door in een land in een jaar alle primaire inkomens bij elkaar op te tellen, bereken je het nationaal inkomen.Grondstof legt lange weg af voordat een consument een product koopt onderweg komt de grondstof verschillende bedrijven tegen als je die onder een rijtje zet is het een bedrijfskolom Er zijn twee soorten goederen die de overheid produceert collectieve goederen en quasi collectieve goederen. Collectieve goederen: bv politie, rechtspraak en defensie van een land. De overheid ‘’produceert’’ deze goederen omdat veiligheid belangrijk is voor de inwoners. Een vb van quasie collectief goed is onderwijs. De overheid is verantwoordelijk voor onderwijs omdat ontwikkeling van burgers belangrijk is. Omschrijving voorbeelden Individuele goederen Het moet aan twee
voorwaarden voldoen: je moet
betalen voor het goed, anders kun je het goed niet gebruiken Als jij het goed koopt, kan een ander het niet kopen. We noemen dit rivaliserend Bijna alle goederen Bv een appel bij lidl Collectieve goederen Moet aan twee voorwaarden
voldoen: - het is niet mogelijk
mensen uit te sluiten van het gebruik van het goed. Ook als ze er niet voor betalen.
- het gebruik door de één gaat
- bv om maatschappelijke
- / 2
niet ten koste van de andere gebruiker. We noemen dit niet rivaliserend Dijken Rechtspraak Politie Defensie straatverlichting Quasi-collectieve goederenIs een individueel goed dat door de overheid geproduceerd en geleverd wordt.
redenen (controleren van de kwaliteit of het belang voor de samenleving_ Onderwijs Snelwegen bibliotheek Toen er nog geen geld bestond deden mensen aan directe ruil. Mensen ruilden goederen tegen andere goederen. toen er weinig beroepen waren was dit handig toen er meer kwamen werd dit moeilijker want hoeveel broden betaal je voor een broek mensen zochten een oplossing en dit was geld. Met de komst van geld spreken we van indirecte ruil. Er worden goederen geruild tegen geld.Eerst was er alleen chartaal geld. Dit is contant geld. Later werd dit ook op bankrekening digitaal geld word giraal geld genoemd.