Samenvatting economie “vraag en aanbod, elasticiteiten, overheidsingrijpen, marktvormen en volkomen concurrentie”
Vraag en aanbod:
De vraag naar een product wordt bepaald door 5 factoren:
1.De prijs van het product 2.De prijs van andere producten 3.Het inkomen van de consument 4.De behoeften van de consument 5.Het aantal consumenten
De collectieve vraaglijn:
Economen maken gebruik van wiskunde om het verband tussen de prijs van het product en de vraag naar het product weer te geven. De collectieve vraaglijn geeft het verband weer
tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid:
-Collectief: we bekijken de vraag naar het product van alle consumenten
-Ceteris paribus: voor de vraaglijn geldt dat alle andere factoren dan de prijs van het product constant worden verondersteld.
Veranderingen van de vraaglijn:
-Verschuiving op/ langs de vraaglijn (altijd bij prijsverandering):
-Verschuiving van de vraaglijn:
- / 3
Het aanbod van een product wordt bepaald door 4 factoren:
1.De prijs van het product 2.De prijzen van de productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur) 3.De kwaliteit van de productiefactoren arbeid en kapitaal Arbeid= scholing, ervaring, specialisatie Kapitaal= technische ontwikkeling (bv-diepte-investering) 4.Het aantal producenten
Collectieve aanbodlijn:
Collectief: we bekijken het aanbod van het product van alle producenten
Ceteris paribus: voor de aanbodlijn geldt dat alle andere factoren dan de prijs van het product constant worden verondersteld.
Een markt van volkomen concurrentie voldoet aan 4 kenmerken:
1.Veel vragers en aanbieders (markt dicteert de prijs) 2.Homogene goederen 3.Transparante markt (vragers en aanbieders kennen de markt goed en vergelijken ook) 4.Vrije toe en uittreding
Surplus:
1.Consumentensurplus:
-betalingsbereidheid= de prijs die de consument maximaal bereid is te betalen.-consumentensurplus= het verschil tussen de betalingsbereidheid en de te betalen prijs (boven gemiddeld).
2.Producentensurplus:
-verkoopbereidheid= de prijs die de producenten minimaal willen ontvangen.-producentensurplus= het verschil tussen de te ontvangen prijs en de verkoopbereidheid (onder gemiddeld).Pareto efficiënt= bij maximaal surplus is het niet mogelijk om iemand beter af te laten zijn, zonder dat een ander slechter af is.
Surplus berekenen:
0,5 X lengte X breedte 2 / 3
Elasticiteiten:
Prijselasticiteit van de vraag (Ev):
A.Wat geeft het weer?De relatieve verandering van de vraag naar een product door een prijsverandering van het product.Normale goederen hebben een negatief verband tussen de prijs en de vraag. Twee redenen
hiervoor zijn:
1.Substitutie-effect= bij een prijsdaling worden producten vervangen door het goedkopere product.
2.Inkomenseffect= bij een prijsdaling stijgt de koopkracht. Mensen/ consumenten kunnen meer kopen.
De mate waarin de vraag reageert op een verandering van de prijs hangt af van:
1.De aard van het product (primaire of luxegoederen) 2.Aanwezigheid van substituten 3.Het deel van het inkomen dat aan het product wordt besteed 4.Tijdshorizon (kan je op kort termijn reageren op een prijsverandering) B.Hoe bereken je het?Ev= %verandering vraag/ %verandering prijs C.Wat betekent het?Ev= 0, dan is de vraag volkomen inelastisch (komt weinig voor) Ev= tussen 0 en -1, dan is de vraag inelastisch (primaire goed) Ev= kleiner dan -1, dan is de vraag elastisch (luxe goed)
Inkomenselasticiteit van de vraag (Ev):
A.Wat geeft het weer?De relatieve verandering van de vraag naar een product door een inkomensverandering.B.Hoe bereken je het?Ey= %verandering van vraag/ %verandering van inkomen C.Wat betekent het?Ey= tussen 0 en 1, dan is het een primair goed (positief verband tussen vraag en inkomen).Ey= groter dan 1, dan is het een luxe goed (positief verband tussen vraag en inkomen).Ey= kleiner dan 0, dan is het een inferieur goed (negatief verband tussen vraag en inkomen).
- / 3