1
Samenvatting Gebitskenmerken
Hoofdstuk 1: Namen en begrippen
De verschillende gebitselementen
De tanden en kiezen noemt men gebitselementen .
Gebitselementen:
• Incisieven: snijtanden
• Cuspidaten: hoektanden
• Premolaren: kleine kiezen
• Molaren: grote kiezen
Een half jaar na de geboorte beginnen de eerste melkelementen van het melkgebit in de mond door te breken. Als het kind ongeveer 2,5 jaar is het melkgebit compleet. Het melkgebit heeft in totaal 20 melkelementen.
Melkgebit:
• Incisieven : 8
• Cuspidaten : 4
• Premolaren: -
• Molaren: 8
Dit zijn er 20 in totaal.
Dit zijn er 32 in totaal.
Blijvend gebit:
• Incisieven: 8
• Cuspidaten: 4
• Premolaren: 8
• Molaren: 12
Als het kind ongeveer 6 jaar is, worden de eerste melkelementen verwisseld door blijvende gebitselementen.
- / 3
2
De kroon is aan de buitenkant bedekt met glazuur. Het glazuur is het hardste materiaal van de tand of kies. De kroon is de bovenkant van de tand of kies.En onderste deel van het gebitselement is de wortel. Aan de buitenkant van de wortel is het bedekt met wortelcement. De plek waar een wortel en de kroon bij elkaar komen heet glazuur-cementgrens. De glazuur- cementgrens heet ook tandhals, en in het Latijns Cervix genoemd.
Morfologie
Alle gebitselementen hebben verschillende vormen en grootte. Daarom kun je elk gebitselement van elkaar scheiden. De beschrijving van hoe een elk gebitselement eruit ziet noemt men morfologie.Vlakken
De kronen van de tanden en kiezen worden verdeeld in vlakken.Meestal 5 vlakken (4 zijvlakken + 1 bovenvlak).De kronen van incisieven en cuspidaten hebben 4 zijvlakken + een snijrand.
• Labiale vlakken (labium: lip): Dit zijn de vlakken die naar de lip toe wijzen bij snijtanden en cupsidaten.
• Buccale vlakken (bucca : wang): Dit zijn de vlakken die naar de wang wijzen bij premolaren en molaren.
• Linguale vlakken (lingua: tong): Dit zijn alle gebitselementen in de onderkaak die naar de tong wijzen.
• Palatinale vlakken (palatum : gehemelte): Dit zijn alle gebitselementen van de bovenkaak die naar het gehemelte wijzen.
Voorste- en achterste vlakken
De vlakken die elkaar raken aan een aangrenzend gebitselement heet de approximale vlakken. 2 / 3
3
De vlakken worden verdeeld in distale en mesiale vlakken. De namen verwijzen naar een vlak in het midden van de middenlijn ( de mediaanlijn).De vlakken die naar de mediaanlijn wijzen heten mesiale vlakken. De vlakken die van de mediaanlijn afwijzen het distale vlakken. Het punt waar het mesiale vlak of distale vlak van een gebitselement in contact komt met het aangrenzende element in de tandboog heet het contactpunt.De bovenste vlakken
De vlakken van de premolaren en molaren die elkaar raken als de kaken op elkaar komen heten occlusale vlakken. De incisieven en cuspidaten hebben geen occlusaal vlak, omdat ze aan de bovenkant een snijrand hebben.
Overige morfologisch kenmerken
Het meest opvallende aan het occlusaal vlak zijn de knobbels. Een knobbel is een verhoging die een deel van een vlak in beslag neemt. In het gebit komen knobbels voor bij de premolaren en molaren. Als er bij incisieven en cuspidaten een verhoging is, is het op een palatinaal of linguaal vlak. Hier is het geen knobbel, maar dan heet het cingulum.
Een ander soort verhoging op een vlak heet ook wel een crista, dit is een langwerpig verhoogde rand die over een vlak loopt. Het heet ook wel randlijst.Het zit aan de rand van het occlusale vlak aan de mesiale en distale zijde van de
- / 3