Samenvatting Methoden van Rechtswetenschap
Week 1: Methodendebat
Van Dijck, Snel & Van Golen h1 & 2
H1: Beginselen van academisch-juridisch onderzoek
Rechtswetenschappelijk onderzoek staat erom bekend dat het onderwerp voor het onderzoek de vrije keuze is van de onderzoeker. Daarbij kan de onderzoeker kiezen voor verschillende onderzoeksbenaderingen, zoals een beschrijvende, definiërende, verklarende, vergelijkende, evaluatieve of normatieve onderzoeksvraag. Dit kan de onderzoeker doen op een concreter of abstracter niveau, waarbij hij in beginsel kan kiezen voor verschillende onderzoeksdesigns: juridisch-dogmatisch, rechtsvergelijkend, rechtshistorisch, rechtstheoretisch, multidisciplinair en empirisch. Om een onderzoeksvraag te beantwoorden is de rechtswetenschapper niet helemaal vastgebonden aan het recht. Hij moet ook ander materiaal verzamelen om bijvoorbeeld te verklaren, evalueren of verbeteren.
Het onderzoeksproces bestaat uit zeven fasen:
In de praktijk worden deze fasen echter niet zo gestructureerd gevolgd als hierboven weergegeven. Vaak lopen ze door elkaar.Het onderzoek moet aan vijf eisen voldoen om het ‘academisch’ of
‘wetenschappelijk’ onderzoek te mogen noemen:
1.Originele, relevante en in het bestaande rechtswetenschappelijke debat ingebedde onderzoeksvraag (het onderzoek dient dus kennis toe te voegen aan de huidige ‘stand van de wetenschap’); 2.Beantwoording van de onderzoeksvraag levert een bijdrage aan theorievorming; 3.Methode waarmee onderzoeksvraag beantwoord kan worden met aandacht voor zorgvuldig bronnenonderzoek; 4.Daadwerkelijke en zorgvuldige beantwoording van de vraag; 5.De rechtswetenschapper moet bij alles op controleerbare wijze te werk gaan. Verantwoordingsbeginsel.
Onder wetenschappelijke integriteit verstaan de auteurs: normen waaraan men
zich moet houden. De normen volgen uit de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit en de Europese gedragscode voor
wetenschappelijke integriteit:
-Eerlijkheid -Zorgvuldigheid en betrouwbaarheid -Transparantie -Verantwoordelijkheid en respect -Onafhankelijkheid en onpartijdigheid
H2: Keuze onderzoeksthema
Er zijn twee vormen van vooronderzoek: 1) het oriënterend onderzoek waarbij je 1 / 4
je richt op het uitzoeken van het onderzoeksthema, 2) het systematisch literatuuronderzoek gericht op het binnen dat thema vinden en verantwoorden van een academische onderzoeksvraag.Belangrijke overwegingen bij het kiezen van een onderwerp voor de
masterscriptie zijn:
1.affiniteit met het thema 2.expertise 3.vaardigheden 4.originaliteit 5.eigenschappen van de onderzoeker 6.beschikbare begeleiding 7.haalbaarheid Stolker ‘Ja, geléérd zijn jullie wel!’ Over de status van de rechtswetenschap.Wrongful life = civielrechtelijke casus waarbij het kleine meisje Kelly het ziekenhuis verwijt te zijn geboren. Ze is geestelijk en lichamelijk zwaar gehandicapt ter wereld gebracht en dat had volgens de ouders voorkomen kunnen worden als tijdens de zwangerschap een vruchtwaterpunctie of vlokkentest zou zijn uitgevoerd. Zo’n test zou hebben uitgewezen dat Kelly aan een zeldzame genetische afwijking leed. De arts heeft hierdoor bij de ouders de mogelijkheid tot abortus ontnomen. Het kind en de ouders eisten schadevergoeding.Verschillende landen hebben verschillende oordelen over de wrongful life- vordering. In Nederland zegt het Haagse Gerechtshof bijvoorbeeld dat het kind recht heeft op volledige vergoeding van de schade. Volgens andere rechtspraak van Duitsland, Engeland en Amerika heeft het kind helemaal geen recht op schadevergoeding. Er is dus niet één juist antwoord. Als we zo’n veelheid aan oplossingen hebben, is dat dan nog wel wetenschap? Stolker zegt dat door deze verschillende uitspraken er wel heel veel rek in het systeem zit en dat is normaal gesproken niet wat we associëren met precieze wetenschap.In het recht is meten = weten lastiger dan in de natuurwetenschap. In de natuurwetenschap gaat het namelijk om een objectieve benadering waarbij men een neutraal standpunt inneemt. Bij rechtswetenschappelijk onderzoek doen we echter geen experimenten en toetsen we niet. Stolker stelt dat het In het recht bijna niet anders kan dan dat de onderzoeker ook invloed uitoefent op het object dat hij bestudeert. Daarnaast is een kenmerk van de rechtswetenschap dat onderzoek en rechtspraktijk in elkaar overvloeien.Vele hoogleraren zijn namelijk ook advocaat of rechter, maar belangrijker nog is dat de rechtswetenschap dienstbaar is om de praktijk voor te lichten. Bovendien kan worden opgemerkt dat rechtswetenschappelijk onderzoek zich vooral bezighoudt met hoe het recht zou moeten zijn, dan met het recht zoals het nu is (=normatieve karakter van het recht). In wetenschappelijk onderzoek is dit juist omgekeerd. Wetenschappers houden zich bezig met het verklaren van het verleden. Hierom stelt Stolker dat gedacht kan worden dat rechtswetenschappelijk onderzoek geen wetenschap is.
De belangrijkste functies van rechtswetenschappelijk onderzoek zijn:
-Ordening van de maatschappij; -De beslechting van geschillen; -De handhaving van orde en regels.Daarnaast moet het recht voldoen aan de eisen van rechtvaardigheid, doelmatigheid en rechtszekerheid. 2 / 4
De rechtswetenschap zou volgens Stolker meer aandacht moeten besteden aan haar status van wetenschap. Van andere wetenschappen kan zij leren om nog wetenschappelijker te worden.van Gestel ‘Revitaliserting van juridisch-dogmatisch onderzoek. Expliciteren van het impliciete’ Juridisch-dogmatisch onderzoek analyseert wat het geldende recht is of wat het idealiter zou moeten zijn. Centraal staat de interpretatie/argumentatie in dit type onderzoek. Het materiaal van het recht laat soms meerdere interpretaties toe en dat maakt dat rechtswetenschappers in hun analyses van het recht soms diametraal tegenovergestelde conclusies trekken. Van Gestel noemt hierbij het
voorbeeld over de NEN-normen: de Hoge Raad moest zich uitlaten over de
vraag of private NEN-normen waarnaar in de bouwwetgeving werd verwezen, aangemerkt konden worden als algemeen verbindende voorschriften. Er bestond in casu nog geen antwoord op deze vraag. Er waren twee theoretische mogelijkheden, namelijk 1) doordat de wetgever verwijst naar private normen veranderen ze juridisch van kleur en gaan ze onderdeel uitmaken van het verwijzende wettelijke voorschrift, en 2) NEN-normen kunnen enkel worden aangemerkt als wetgeving, indien het Instituut dat ze produceert van de (Grond)wetgever ergens wetgevende bevoegdheid toegekend heeft gekregen.De HR koos voor de tweede optie. De Hoge Raad lijkt hiermee eerder rekening te hebben gehouden met de economische consequenties voor het Nederlands Normalisatie Instituut, dan dat ze de beslissing heeft gebaseerd op een interpretatie van geldende wetgeving of jurisprudentie. Het Instituut zou namelijk gestopt zijn met het maken van NEN-normen voor de bouw, als voor deze normen gewoon naar de wetgeving kan worden verwezen. Dan kunnen ze er niks meer aan verdienen. Juridisch-dogmatisch onderzoek is volgens Van Gestel niet repliceerbaar, omdat we dus verschillende interpretatiemogelijkheden hebben. Van Gestel stelt dat ondanks dat je de eis van repliceerbaarheid niet kunt stellen, er wel degelijk kwaliteitsmaatstaven zijn die je kunt stellen (zie voor deze eisen Van Dijck, et al.).Stolker doelt met zijn uitleg over de Wrongful life casus op ditzelfde probleem, dat een bepaalde kwestie tot heel veel verschillende interpretaties kan leiden.Van Gestel schrijft: ‘... de wilsleer en de verklaringsleer in het contractenrecht.Deze ‘leren’ beogen te verklaren op grond waarvan contracten juridisch binden.Beide theorieën kunnen echter feitelijke én normatieve pretenties bezitten.’ In het contractenrecht zijn de wilsleer en de verklaringsleer twee belangrijke benaderingen die de totstandkoming van overeenkomsten uitleggen. De
wilsleer legt de nadruk op de werkelijke wil van de partijen: een overeenkomst
is pas geldig als de bedoelingen van beide partijen overeenkomen, ook als deze niet goed zijn gecommuniceerd. Deze benadering beschermt tegen onbedoelde fouten, maar kan voor de wederpartij onzekerheid creëren, omdat het moeilijk te weten is wat iemand écht bedoelde. De verklaringsleer daarentegen richt zich op wat partijen naar buiten toe verklaren. Wat iemand verklaart, wordt gezien als leidend, ook als dit niet geheel overeenkomt met de innerlijke wil. Dit bevordert rechtszekerheid omdat de wederpartij kan vertrouwen op de gegeven verklaringen, maar kan soms leiden tot onrechtvaardigheid als er sprake is van een vergissing. In de praktijk combineert het Nederlandse contractenrecht beide theorieën. Er wordt gekeken naar wat een wederpartij redelijkerwijs mocht begrijpen van de verklaring, terwijl ook de werkelijke wil van de partij een rol speelt in de beoordeling.Beide theorieën in het contractenrecht, de wilsleer en de verklaringsleer, hebben zowel feitelijke als normatieve pretenties. Dit betekent dat ze niet alleen beschrijven hoe overeenkomsten tot stand komen, maar ook voorschrijven hoe 3 / 4
dit zou moeten gebeuren. De wilsleer stelt feitelijk dat overeenkomsten afhankelijk zijn van de werkelijke wil van de partijen, en normatief dat een overeenkomst alleen geldig zou moeten zijn als deze bedoelingen echt overeenkomen, om misverstanden te voorkomen. De verklaringsleer beschrijft feitelijk dat overeenkomsten worden gevormd op basis van wat naar buiten toe is verklaard, en normatief stelt zij dat partijen moeten kunnen vertrouwen op wat er expliciet is gezegd, om rechtszekerheid te waarborgen. Kortom, beide theorieën bieden zowel een beschrijving van de praktijk als een visie op wat als rechtvaardig en wenselijk wordt beschouwd in het contractenrecht.Het is van belang feitelijke en normatieve claims uit elkaar te houden, omdat ze verschillende benaderingen en onderbouwingen vereisen, zoals Van Gestel opmerkt. Feitelijke claims beschrijven de werkelijkheid en vragen om empirisch bewijs. Bijv. 'Overeenkomsten worden doorgaans op basis van de verklaringsleer beoordeeld.’ Dit moet worden onderbouwd met gegevens zoals jurisprudentie of praktijkvoorbeelden. Normatieve claims daarentegen gaan over wat wenselijk of rechtvaardig zou moeten zijn. Een normatieve claim zoals ‘Overeenkomsten zouden op de wilsleer gebaseerd moeten zijn om onrechtvaardigheid te voorkomen,’ vereist een moreel of filosofisch betoog, niet
empirisch bewijs. Het onderscheid is belangrijk om verwarring te voorkomen:
feitelijke claims kunnen niet met ethische argumenten worden ondersteund, en normatieve claims kunnen niet enkel op feiten worden gebaseerd. Dit maakt een heldere onderbouwing van zowel de werkelijkheid als de wenselijkheid van bepaalde benaderingen mogelijk.Van Gestel pleit voor de versterking van juridisch-dogmatisch onderzoek omdat hij gelooft dat dit type onderzoek essentieel is voor het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van het juridische systeem. Juridisch-dogmatisch onderzoek richt zich op de systematische analyse van wet- en regelgeving, jurisprudentie en rechtsbeginselen, en helpt bij het expliciteren van juridische normen, structuren en principes. Dit is van belang omdat het juridische systeem steeds complexer wordt en er behoefte is aan gedegen, diepgaande analyses die juridische concepten helder maken en een goede basis bieden voor het rechtssysteem. Van Gestel benadrukt dat juridisch-
dogmatisch onderzoek niet alleen beschrijvend is, maar ook normatief: het
onderzoekt niet alleen hoe het recht is, maar ook hoe het zou moeten zijn. Dit draagt bij aan het ontwikkelen van een beter begrip van de rechtsregels wat essentieel is voor de kwaliteit van rechtsvorming en interpretatie van het recht.Daarnaast wijst Van Gestel erop dat juridisch-dogmatisch onderzoek vaak te weinig wordt gewaardeerd in vergelijking met andere rechtswetenschappelijk onderzoek, zoals empirisch of interdisciplinair onderzoek. Hij vindt dat het essentieel is om ook de dogmatische benadering sterker te maken, omdat het fundament van het recht vaak ligt in de interpretatie en toepassing van juridische normen, wat alleen goed kan worden gedaan met een gedegen dogmatische basis.Verschillen en overeenkomsten Stolker en Van Gestel
Overeenkomsten:
●Beide zijn van mening dat juridisch onderzoek meer wetenschappelijk zou moeten worden, dat wil zeggen beter zou moeten voldoen aan maatstaven van wetenschappelijk onderzoek, waaronder een goede methodologische verantwoording.●Beiden gaan ervan uit dat juridisch onderzoek altijd (deels) subjectief is.●Beiden vinden het belangrijk dat juridisch onderzoek vernieuwend is.●Beiden zien het belang van empirisch-juridisch onderzoek.
- / 4