week 1 ●Studenten kunnen de aard en de functie van het staatsrecht omschrijven; 1.Constituerende functie: stelt overheidsambten in. Hieronder vallen ook bepalingen over de organisatie, over de samenstelling van die ambten.
2.Attribuerende functie: bevoegdheden toekennen aan de ingestelde ambten.
3.Regulerende functie: beperkingen / begrenzingen opleggen aan de toegekende bevoegdheden In het staatsrecht wordt de organisatie van de overheid geregeld. In dit recht staan regels opgenomen over overheidsorganen en de rol van burgers in de staat
●Studenten kunnen vanuit een juridisch begrippenkader reflecteren op de concepten ‘staat’ en ‘overheid’; De staat als organisatie is de overheid. Men kan in het kader van het legaliteitsbeginsel en de overheid 6 vragen stellen -welke overheidsinstanties zijn bevoegd -welke bevoegdheden hebben ze -op welke wijze hebben zij hun bevoegdheden verkregen -binnen welke grenzen dienen deze bevoegdheden gehanteerd te worden
Wanneer is iets een staat:
-grondgebied -soevereiniteit, effectief gezag uitoefenen -bevolking -die het vermogen heeft betrekkingen met andere staten te onderhouden De macht moet binnen de staat verdeeld worden over onafhankelijke instanties die samen moeten werken (checks and balances).
-uitvoerende: regering en koning
-wetgevende: regering en staten generaal/parlement (eerste en tweede kamer) art 81 GW -rechtsprekende: art 112 GW, afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad
●Studenten kunnen de eisen/beginselen van de rechtsstaat benoemen en in onderling verband plaatsen; -legaliteitsbeginsel: vereist is positivering, machtsuitoefening door de staat is slechts geoorloofd wanneer deze berust op een door de wet gegeven bevoegdheid.-machtsverdeling: montesquieu : trias politica. De grondgedachte is dat de overheidsmacht gedeelde macht moet zijn om willekeur en onderdrukking te voorkomen. Er moet wederzijdse controle zijn, gemeenten en provincies worden zelfstandige bevoegdheden gelaten. Ook moeten instanties in evenwicht worden gehouden (checks en balans).
1.Verdeling van staatsmachten op centraal niveau- machtenscheiding in horizontale zin 2.Verdeling tussen verschillende lagen van de overheid: rijk provincies, gemeenten - machtenscheiding in verticale zin
- / 4
Niet alleen de rechter maar ook de uitvoerende macht (het bestuur) is op 2 manier aan de wet verbonden -Negatieve dimensie: De koning is gebonden aan de wet, legaliteitsbeginsel, de begrenzing zit ook in de grondrechten
-Positieve dimensie: De wet creeert bevoegdheden voor de uitvoerende macht
-grondrechten: hier is de primaire drager van de vrijheid het individu als zodanig, de persoon als autonoom subject. Er moet individuele vrijheid zijn, ook moet de overheid zich zoveel mogelijk onthouden van een identificatie met een bepaald mensbeeld, neutraliteit is dus van belang. Het geloof is nu een persoonlijke overtuiging geworden. Ook dient ieder eenzelfde recht op vrijheid te hebben. Gelijkheid voor de wet betekent ook dat de wetgeving geen privileges dient te bevatten.
1.klassieke: beschermen de burger tegen ongeoorloofd overheidsoptreden
2.sociale grondrechten: roepen de overheid op om zich in te zetten om bepaalde minimum levensvoorwaarden te bevorderen en te waarborgen -rechterlijke controle: Rechterlijke controle verwijst naar het proces waarbij een rechter toezicht houdt op de wettigheid, rechtvaardigheid en naleving van de wetten in een juridische zaak. Het is een belangrijk principe in een rechtsstaat en draagt bij aan het waarborgen van eerlijke en onpartijdige rechtspraak ●Studenten kunnen de historische ontwikkeling van de rechtsstaat als concept in internationaal verband schetsen a.Oudheid: De oorsprong van het concept van de rechtsstaat kan worden herleid tot de klassieke oudheid, met bijdragen van filosofen zoals Aristoteles en Cicero. Zij benadrukten het belang van wetten die boven individuen staan en die rechtvaardigheid en gelijkheid waarborgen. b.Middeleeuwen: Tijdens de middeleeuwen was er een geleidelijke evolutie van feodale en koninklijke heerschappij naar meer gestructureerde rechtssystemen. Magna Carta in 1215 in Engeland en gelijkaardige documenten op het Europese vasteland legden beperkingen op aan het gezag van vorsten en pleitten voor de bescherming van individuele rechten.c.Verlichting:In de 17e en 18e eeuw, tijdens de Verlichting, werd het idee van de rechtsstaat verder ontwikkeld. Filosofen zoals John Locke en Montesquieu pleitten voor de scheiding der machten, waarbij wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht onafhankelijk van elkaar zouden opereren. d.19e eeuw: De 19e eeuw zag de opkomst van constitutionele staten, waarin geschreven grondwetten de rechten van individuen beschermden tegen willekeurig gezag. Dit tijdperk markeerde ook de ontwikkeling van internationale normen en verdragen, zoals het Verdrag van Genève (1864) en het Vredespalais in Den Haag (1899). e.Na de Tweede Wereldoorlog: Na de Tweede Wereldoorlog werden internationale inspanningen geleverd om mensenrechten te waarborgen en oorlogsmisdaden te vervolgen. De oprichting van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 zijn voorbeelden van deze trend.
f.Hedendaagse ontwikkelingen: In de moderne tijd hebben internationale tribunalen, zoals het Internationaal Strafhof, geprobeerd individuen te berechten voor schendingen van het internationaal recht. Ook is er aandacht voor economische en
- / 4
sociale rechten naast burgerlijke en politieke rechten., ●Studenten kunnen het concept 'rechtsstaat' op basaal niveau toepassen op maatschappelijke vraagstukken.
●Studenten kunnen de eisen van een functionerende democratie benoemen a.eenieder heeft gelijkelijk het recht via vrije en eerlijke verkiezingen invloed op de samenstelling van de vertegenwoordigers die bij de besluitvorming zijn betrokken (actief kiesrecht) 1.Vertegenwoordiging, verkiezingen, evenredige vertegenwoordiging, districtenstelsel, lijstenstelsel 2.artikel 4 GW 3.Nederlanders kiezen eigen vertegenwoordigers. Politieke gelijkheid komt bij de representatieve democratie bij uitstek in verkiezingen tot uitdrukking.
4.De algemeen vertegenwoordigende organen worden gekozen volgens het systeem van evenredige vertegenwoordiging (NL). Dit stelsel is gericht op een genuanceerde uiting van meningen van kiezers. Beide kamers van de staten-generaal worden gekozen op grondslag van de evenredige vertegenwoordiging binnen de door de wet te stellen grenzen.
5.Leden van de eerste kamer worden gekozen door leden van de provinciale staten.
6.tot 1917 werden verkiezingen in districten (districtenstelsel) gehouden maar binnen het kader van een geheel ander kiesstelsel. -> meerderheidsstelsel (VK en FR).Anders dan bij de evenredige vertegenwoordiging wordt niet gestreefd naar het in het parlement tot uiting doen komen van genuanceerde opvattingen. Een kandidaat werd gekozen als hij de absolute meerderheid had.-> In frankrijk zien we dit nog, in de VK zien we een relatief meerderheidsstelsel. De kandidaat met de meeste stemmen is meteen gekozen.
7.Stelsels van de meerderheid leveren vaak een minder inclusieve regering op.
8.Het in nederland gekozen evenredige vertegenwoordiging brengt nauwelijk een band tussen kiezers en de gekozen teweeg. De door de partij bepaalde volgorde van de lijst kan moeilijk doorbroken worden, de kieswet kent namelijk een lijstenstelsel.Dit houdt in dat wanneer een bepaald persoon op een lijst meer stemmen haalt dan de kiesdrempel, de overtollige stemmen worden overgedragen op de volgende kandidaat op de lijst.
9.Ook heb je het personenstelsel hier bepaalt de kiezer de overdracht van stemmen door de kandidaten te nummeren in volgorde van zijn voorkeur.
- passief kiesrecht, eenieder heeft recht te worden verkozen in diezelfde
- / 4
vertegenwoordigende colleges.
1.Politieke partijen, vrij mandaat 2.artikel 4 GW 3.tot aan het midden van de 19e eeuw waren er geen politieke partijen in NL 4.Aangezien volksvertegenwoordigers namens een politieke partij optreden en gekozen worden, rijst de vraag of zij nu als volksvertegenwoordigers dan wel als partijvertegenwoordigers gezien moeten worden.
5.artikel 67 lid 3 GW bevat het beginsel vrij mandaat. Dit houdt in dat de afgevaardigde niet door een politieke partij of fractie verplicht kan worden zijn stem op een bepaalde wijze uit de brengen.
- eenieder heeft het recht naar politieke machtsverwerving te streven
- eenieder heeft politieke grondrechten (uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging)
- Vertegenwoordigende colleges hebben invloed op de besluitvorming door middel van
- openbaarheid van besluitvorming
- in (politieke)besluitvorming wordt de meerderheidsregel gehanteerd
- rechten van minderheden worden gerespecteerd.
1.Zelfverdediging, partijverbod 2.Zelfverdediging is tegen de dreiging van opheffing van binnenuit. De democratische rechtsstaat dient open te staan voor een breed scala aan waarheden. Maar hoeft niet elke waarheid tegen zijn grondslagen te verdragen.
3.Slechts in extreme gevallen mag de democratische rechtsstaat leiden tot verdediging maatregelen. Bijvoorbeeld een partijverbod. Dit moet voor de democratie het laatste middel zijn
1.Vrijheid van vereniging, registratie partijnaam, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van betoging, petitierecht 2.Burgers moeten rechten bezitten voor het functioneren van een democratie 3.Men moet partijvorming geheel vrij laten. Het vrijwel volledig zwijgen van het constitutionele recht over politieke partijen is daar dan ook de oorzaak van.
4.Vrijheid van meningsuiting is onlosmaakbaar verbonden met de democratie 5.Het petitierecht wordt wel het moederrecht genoemd van de politieke rechten en vrijheden. Op grond van dit eecht is het desbetreffende bevoegde gezag verplicht een schriftelijke geuite mening in ontvangst te nemen.
medebeslissingsrecht vooraf en het controleren van de bevoegdheid achteraf 1.Verantwoordingsplicht. Bestuurders moeten steeds verantwoording afleggen aan volksvertegenwoordigers. Bijvoorbeeld ministers en staatssecretarissen aan beide kamers en de staten-generaal.
1.WOB, bekendmaking 2.Openbaarheid maakt controle mogelijk. Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Nu is de wet open overheid. Het regelt de passieve (informatie die de overheid moet verstrekken) en actieve (voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving) openbaarheid 3.De bekendmaking van de meeste resterende besluiten wordt door de AWB gedaan.
1.De meerderheidsregel verhult motieven achter besluiten 2.Democratie weegt meningen niet maar telt ze
1.De grondrechten die aan alle burgers in dit kader toekomt mogen minderheden niet ontnomen worden 2.In enkele gevallen worden minderheden op een bijzondere wijze beschermt, namelijk door het stellen van zogenoemde gekwalificeerde meerderheid eisen. Zo kan het besluit tot wijziging van de grondwet slechts genomen worden met een
tweederdemeerderheid In het kort:
-eenieder heeft gelijkelijk het recht via vrije en eerlijke verkiezingen invloed op de samenstelling van de vertegenwoordigers die bij de besluitvorming zijn betrokken (actief kiesrecht) -passief kiesrecht, eenieder heeft recht te worden verkozen in diezelfde vertegenwoordigende colleges.-eenieder heeft het recht naar politieke machtsverwerving te streven -eenieder heeft politieke grondrechten (uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging)
- / 4