1
Syllabustekst VWO-4 periode 3 Tijdvak 4 t/m 6 + HC Steden en burgers in de Lage Landen, 1050 – 1700
Periodes ▪ Middeleeuwen, 500 – 1500 ▪ Vroegmoderne Tijd, 1500 – 1800
Overgangen tussen de periodes ▪ Middeleeuwen naar Vroegmoderne Tijd, Renaissance, rond 1350 in Italië en vanaf 1450 verspreid over West-Europa
Maatschappijtypen ▪ Agrarisch-urbane samenleving
Tijdvakken ▪ Tijd van steden en staten, 1000 – 1500 ▪ Tijd van ontdekkers en hervormers, 1500 – 1600 ▪ Tijd van regenten en vorsten, 1600 – 1700
Kenmerkende aspecten
Tijd van steden en staten, 1000 – 1500
- De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
- De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
- Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
agrarisch-urbane samenleving
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben (verkort: investituurstrijd)
- De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van
de kruistochten (verkort: kruistochten)
- Het begin van staatsvorming en centralisatie
Tijd van ontdekkers en hervormers, 1500 – 1600
1. Het begin van de Europese overzeese expansie (verkort: de Europese overzeese
expansie)
- Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een
- De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid
- De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot
- Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse
nieuwe wetenschappelijke belangstelling
gevolg had (verkort: hervorming of: de reformatie)
staat (verkort: de Nederlandse Opstand)
Tijd van regenten en vorsten, 1600 – 1700
1. Het streven van vorsten naar absolute macht.(verkort: absolutisme)
- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel
- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een
- De wetenschappelijke revolutie.
opzicht van de Nederlandse Republiek.
wereldeconomie.
- / 2
2
Tijdvak 4: Tijd van steden en staten, 1000 - 1500.
Het tweede deel van de middeleeuwen staat in het teken van de wederopbouw van steden.
De opkomst van handel en ambacht die de basis legt voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving (Herleving agrarisch-urbane samenleving) Door verbeteringen in de landbouw (gebruik van een ander type ploeg, gebruik van paarden i.p.v. ossen, gebruik van het drieslag- i.p.v. tweeslagstelsel) kwamen er grotere landbouwopbrengsten. Enerzijds kon hierdoor de bevolking groeien (want genoeg voedsel om iedereen in leven te houden), anderzijds bleef er ook oogst over om te verhandelen. Deze handel vormt de basis van steden. In de steden gingen mensen die zich niet met de landbouw hoefden bezig te houden, specialiseren in ambachten en handel. Hierdoor kwam ook de geldeconomie weer op. Het gaat om bestaande steden die weer groot worden als om de vorming van nieuwe steden die vooral ontstaan bij de kruispunten van handels- en waterwegen of bij kloosters of kastelen.Let op: een veel gemaakte fout is dat er geredeneerd wordt dat er door meer mensen steden komen. Dit klopt niet. Als er meer mensen komen, komen er niet ineens steden op. Leg bij de opkomst van steden altijd de link met handel.
De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
Bekende term: stadslucht maakt vrij.
Door de (weder)opbouw van steden komt er een nieuwe bevolkingslaag: de stedelijke burgerij.In de standenmaatschappij kwamen zij in stand naast de boeren te staan, de derde stand dus.Stadsbewoners kregen van de grondbezitter toestemming om een aparte gemeenschap te vormen, met een eigen bestuur en een eigen rechtsspraak. In ruil hiervoor moesten ze de grondbezitter (een graaf of hertog) belasting betalen (er was immers weer geld). Er moest dus wel belasting betaald worden, maar in ruil daarvoor kreeg je meer vrijheid dan als bijvoorbeeld
horige boer. Hier komt ook de uitspraak vandaan: stadslucht maakt vrij.
Zodra je een jaar en een dag binnen de stadsmuren had gewoond kreeg je de burgerrechten die hoorde bij de inwoners van die stad.Binnen steden ontstonden gildes. Gildes zijn een soort belangenorganisaties van mensen met hetzelfde beroep (zoals bijvoorbeeld lakenmakers, smeden). Gildes stelden kwaliteitseisen op, maar dienden ook als een soort sociaal zekerheidsstelsel. Daarnaast vormden gilden een opleidingsplek.
Het begin van staatsvorming en centralisatie In het begin van de middeleeuwen raakten vorsten veel macht kwijt door het feodale stelsel.Officieel waren zij wel de vorst, maar in de praktijk konden ze niet overal evenveel invloed uitoefenen. Om hier verandering in te brengen beginnen vorsten in het tweede deel van de middeleeuwen met staatsvorming en centralisatie. Centralisatie houdt in dat de vorst probeert vanuit één centrale plek de macht uit te oefenen. Dit werd mede mogelijk gemaakt door hernieuwde opkomst van de geldeconomie. De vorst hoefde nu niet meer afhankelijk te zijn van de trouw van zijn leenmannen, maar hij kan trouw kopen. Hij stelt mensen in dienst die hij betaalt. Dit geeft de koning meer macht dan in het oude stelsel van trouw zweren, op het moment dat iemand zich niet aan de afspraken hield kon de koning hem ontslaan. Hierdoor nam het belang van het feodale stelsel af.
- / 2