ZSO: voorbereiding neurologisch
onderzoek
Testen ataxie van de arm:
1.Top-neus proef: ogen dicht, vinger op de neus plaatsen in grote boog. Boog niet continu, zogeheten dysmetrie? Wijst op ataxie 2.Top-top proef: open ogen, wijsvinger op de punt van de wijsvinger van de onderzoeker houden, die zijn vinger steeds ergens anders aanbiedt.
3.Vinger volg proef: patiënt houdt zijn wijsvinger tegenover die van de onderzoeker, vervolgens maakt de onderzoek snelle bewegingen en de patiënt volgt. Goede manier om hypermetrie te testen, bij cerebellaire lassies zal er hypermetrie (doorschieten) van de vinger zijn.
4.Diadochokinesie: je laat de patiënt met beide handen met de vingers omhoog gericht een draaiende beweging maken, alsof je een lamp indraait. Dit moet vlot en soepel gebeuren.Onvermogen om dit goed uit te voeren noemen we dysdiadochokinese
Ataxie van de benen:
1.Knie hak proef: de hiel van het ene been met een grote boog op de knie van het andere te laten plaatsen en vervolgens over het scheenbeen omlaag te laten glijden: de knie-hakproef.Bij ataxie zal de hiel een slingerend patroon volgen.
2.Koorddansers gang: denkbeeldige lijn lopen: de koorddansersgang. De hiel van de ene voet moet daarbij aansluiten op de tenen van de andere. Bij een gestoorde coördinatie zal de patiënt hiertoe niet zonder plotselinge zijstappen of steun aan de muur in staat zijn.De houdingsreflexen onderzoek je door achter de staande patiënt te gaan staan en deze abrupt aan beide schouders te trekken of te duwen. Bij een stoornis in de houdingsreflexen maakt de patiënt geen (of te laat) corrigerende stappen achter- of vooruit om in balans te blijven en omvallen als je hem niet zou opvangen.Neurologisch onderzoek •De reuk (n. I) Met speciale flesjes verschillende geuren, waarbij ieder neusgat afzonderlijk wordt onderzocht.•Het zien (n. II) •Visus: visus met een snelle kaart, op indicatie kleurzien met Ishihara-kaarten •Gezichtsvelden: Gezichtsvelden worden onderzocht met de confrontatiemethode, elk oog afzonderlijk. Ga tegenover de patiënt staan of zitten, waarbij zijn en jouw ogen zich op hetzelfde niveau moeten bevinden. Vraag hem het rechter- (of linker)oog af te dekken, sluit zelf het linker- (of rechter) oog en vraag de patiënt dit oog te fixeren, bijvoorbeeld door naar jouw neus te kijken. Beweeg een vinger afwisselend in alle vier de kwadranten en vraag de patiënt telkens aan te geven wanneer hij de beweging ziet. Zo vergelijk je het gezichtsveld van de patiënt met dat van jezelf. Als er een gezichtsvelddefect is, kun je de grens daarvan bepalen door je vinger vanuit het gestoorde naar het normale gebied te bewegen, waarbij de patiënt moet aangeven wanneer hij de vinger ziet. Maak kleine bewegingen met je vinger.•Fundoscopie: Het beoordelen van de oogfundus in het kader van een neurologisch onderzoek is met name gericht op de papil, met papiloedeem en papilatrofie als belangrijke afwijkingen •Oogmotoriek (nn. III, IV en VI) Kijk eerst of er een afwijkende stand is van de ogen of van het hoofd. Laat de patiënt daarna naar je vinger kijken op ongeveer een armlengte voor hem. Beweeg de vinger langzaam naar links en rechts (in ongeveer 2 seconden) en naar boven en beneden (idem). Deze volgbeweging is meestal vloeiend, maar kan bij gezonde oudere personen in enkele stapjes (saccades) verlopen. Laat de
- / 1