1
Theoretische criminologie
literatuur per week:
Praktische zaken en tentamentips
- Lees aandachtig, casus geeft signalen welke theorie van toepassing is
- Haal belangrijkste informatie uit de casus en haal het LETTERLIJK uit de tekst (parafraseren)
- Koppel de belangrijkste informatie uit de casus aan jouw antwoord
- Wees volledig waar relevant
- Schrijf duidelijk, gebruik hele zinnen
- Motiveer en onderbouw antwoorden (MET EEN CONCLUSIE). Onderbouwing is belangrijker
- Noem relevante concepten bij naam en leg ze uit
- Geef verbanden tussen concepten helder weer, vermijd supermarkt antwoorden (meerdere
- 5 essayvragen
- Dat je alle theorieën in de context kunt plaatsen
- Dat je belangrijke kritiekpunten weet te noemen
- Dat je in onderzoek of beleid een bepaalde theorie weet te herkennen
- Dat je de meest toepasbare theorie in je antwoord verwerkt.
- Hoofdstuk 1
- Hoofdstuk 2 (p. 12-18), 12 en 13 + aanvullende literatuur
- Brantingham, P.L. & Brantingham, P.J. (1993) Environment, routine, and situation:
dan het eindantwoord.
theorieën noemen)
Wat wordt er van ons verwacht
Leesrooster
Toward a pattern theory of crime. In: Clarke, R.V. & Felson, M. (Eds.) Routine
Activity and Rational Choice: Advances in Criminological Theory, Volume 5.
Piscataway, NJ: Transaction, 259-294. (Zie LOR)
b. Brantingham, P.L. & Brantingham, P.J. (1995) Criminality of Place: Crime
Generators and Crime Attractors. European Journal on Criminal Policy and Research, 3(3), 1-26.
- Clarke, R.V. & Cornish, D.B. (2001) Rational choice. In: Paternoster, R. & Bachman,
R. (Eds.) Explaining Criminal and Crime. Los Angeles, CA: Roxbury Publishing
Company, 23-42. (ZIE LOR)
- Cohen, L.E. & Felson, M. (1979) Social change and crime rate trends: a routine
- Hoofdstuk 2, 14 en 15 + aanvullende literatuur
- Raine, ARaine, A. (2002). The biological basis of crime. In: Wilson, J.Q. &
activity approach. American Sociological Review, 44, 588-608
Petersilia, J. (Eds.) Crime: Public policies for crime control. Oakland, CA: ICS Press, 43-74. (eerste hit) 1 / 4
2
- Ellis, L. & Walsh, A. (1997). Gene-based evolutionary theories in criminology.
- Ellis, L. (2005). A theory explaining biological correlates of criminality.European
- Hoofdstuk 2, 14 en 15 + aanvullende literatuur
- Zie week 3.
- Hoofdstuk 5 (p. 86-90, 3 (p. 32-38) + aanvullende literatuur
- Sampson, R. (2004). Neighbourhood and community. New Economy, 11(2),
Criminology, 35(2), 229-276.
Journal of Criminology, 2(3), 287-315.
106-113.
b. Stark, R. (1987). Deviant places: A theory of the ecology of crime.
Criminology,25(4), 893-910.
- Wilson, J. Q., & Kelling, G. L. (1982). Broken windows. Atlantic monthly,249(3),
29-38.
- Burgess, R. L., & Akers, R. L. (1966). A differential association-reinforcement
- Hoofdstuk 5, 6 + aanvullende literatuur
- Anderson, E. (1994). The code of the streets. opens in new window
- Sykes, G. M., & Matza, D.. (1957). Techniques of Neutralization: A Theory of
- Hoofdstuk 4, 8 + aanvullende literatuur
- Hirschi, T., & Gottfredson, M.. (1983). Age and the Explanation of Crime.
- Muraven, M., & Baumeister, R. F. (2000). Self-regulation and depletion of limited
- (tweede hit) opens in new window
theory of criminal behavior. Social problems, 14(2), 128-147.
Delinquency. American Sociological Review, 22(6), 664–670. opens in new window
American Journal of Sociology,89(3), 552–584. opens in new window
resources: Does self-control resemble a muscle?. Psychological bulletin, 126(2),
c. Taylor, C. (2001). The relationship between social and self-control: Tracing
Hirschi's criminological career. Theoretical Criminology, 5(3), 369-388. opens in new window
- Hoofdstuk 16 + aanvullende literatuur
- Agnew 1992 opens in new window
- Van Gemert, F., Dadusc, D., & Visser, R. (2012). Kerend tij. Tijdschrift voor
- Hoofdstuk 11 + aanvullende literatuur
- Hirschi & Gottfredson 1983 (Age and the Explanation of Crime) opens in new
- Sampson & Laub 1997 (A Life-Course Theory of Cumulative Disadvantage and the
- Moffit 1993 (Adolescence-Limited and Life-Course-Persistent Antisocial Behavior:
Criminologie, 54(3), 195-210. opens in new window
window
Stability of Delinquency) opens in new window
A Developmental Taxonomy) (tweede hit) opens in new window
- / 4
3
Week 1 – introductie: theorie in de criminologie
Social context Criminological theory Enlightenment – mid 1700s to late 1700s Classical school
- Deterrence: afschrikking
- Rationale keuze
- Routine activiteiten
Rise of social Darwinism, science, and medicine – mid 1800s into 1900s
Early positivist school – biological positivism
- Biologische criminologie
- Biosociale criminologie
- Differentiële associatie
Mass immigration, the Great Depression, and post-World War II stability – 1900 to early 1960s Chicago school, Durkheim – mainstream criminology
- Durkheim: Zelfcontrole
- Anomie/strain theorie
- Sociale controle
- Labeling
Social turmoil – 1965 to late 1970s Labeling, conflict, Marxist, feminist, white-collar – critical criminology Conservative era – 1980 to the early 1990s, and beyond
- Rationele keuze
- Deterrence: afschrikking
- Broken windows
- Routine activiteiten
- Peacemaking
- Culturele criminologie
- Groene criminologie
The current century – 2000 to today
Biosociale criminologie
- Ontwikkelings- en levensloopcriminologie
- Geïntegreerde theorieën
De basis van de hedendaagse criminologie begint bij de Klassieke School, die ontstond tijdens de Verlichting (1700’s). De Klassieke School legde de nadruk op de afwijzing van religieuze/ spirituele verklaringen van criminaliteit ten gunste van de opvatting dat overtreders hun rede gebruiken – de beoordeling van kosten/baten – bij het beslissen of een potentiële criminele daad loont en moet worden vervolgd. Daarnaast had je de positivistische school, die ontstond tijdens de 1800-1900’s, welke de nadruk legde op de wetenschappelijke studie van criminelen, geleid door Cesare Lombroso.Beïnvloedt door het Darwinisme en geneeskunde, concludeerden ze dat de criminele eigenzinnige biologische kenmerken bezaten die bepalend waren voor hun gedrag → gedetermineerde crimineel Vervolgens, in de jaren 1930, kozen de Amerikaanse criminologen een ander pad. Men suggereerden dat de sociale omstandigheden waarin iemand leeft invloed heeft op hun (criminele) gedrag. Hier ontstond de Chicago School, die verstedelijking linkte met criminaliteit. Volgens hen speelt sociale controle ook een grote rol op criminaliteit. In de jaren volgend op 1960, was men van mening dat macht en conflicten ook een rol spelen in de productie van criminaliteit. Dit resulteerde in de beweging van de kritische criminologie. Vervolgens kwam de labeling-theorie op gang, de visie dat stigmatisering leidt tot meer criminaliteit. Deze theorieën variëren in hun wetenschappelijke waarde, maar ze suggereren consistent dat het antwoord op misdaad grotendeels ligt in zwaardere sancties – vooral de uitgebreidere gevangenisstraffen – tegen overtreders. Dit maakt deze theorieën de conservatieve criminologie. 3 / 4
4
Hoorcollege 1 Wat is jouw theorie?
- Jouw voorspelling?
- Jouw antwoord op: hoe komt het dat?
Bronnen
- Persoonlijke ervaringen
- Media (ervaringen van anderen)
- Autoriteit (ouders, leraar)
- Consensus (traditie, religie, politieke stroming)
- Gebrekkige / selectieve waarneming
- Over generalisatie
- Persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp
- Onlogisch of onvolledig redeneren (elliptisch)
- Partiële verklaring
- Wetenschappelijke theorieën zijn (1) voorlopige (2) antwoorden op kennisvragen,
- 1) Omdat nieuw empirisch onderzoek feiten kan opleveren die niet in
- 1) Omdat de algemene uitspraken waarop de theorie is gebaseerd, zelf onderwerp
- 2) Welke kennisvragen worden op een bepaald moment als probleem ervaren
- 2) Theorieën worden geformuleerd worden als voorlopige antwoorden op de
- 2) Antwoord op kennisvragen vaak startpunt van handelen (idees have
- 3) Wetenschappelijke theorieën moeten zo zijn opgesteld dat toetsbare hypothesen
- 4) In de theorie gehanteerde begrippen moeten voldoende operationaliseerbaar zijn
Mogelijke fouten
➔ Is jouw verklaring ‘diep’ genoeg om een theorie te kunnen noemen?Wat is een theorie?Een theorie is een versimpeling van de werkelijkheid om er voorspellingen over te doen.
gebaseerd op (3) nauwkeurig omschreven samenhangen tussen (4) observeerbare gebeurtenissen
overeenstemming met de huidige theorie
van verklaring kunnen worden gemaakt
(context)
bestaande kennisvragen (Theorieën nooit volledig accurate beschrijving van de werkelijkheid)
consequences) ▪ Theorieën gebaseerd op onjuiste premissen kunnen werken
kunnen worden afgeleid.
Elementen van een theorie
- Object: de eenheden waarover de theorie uitspraak doet
- Explanans: de verklaring, het mechanisme (mensbeeld)
- Explanandum: dat wat de theorie verklaart
Voorbeeld: jongens met delinquente vrienden zijn vaker zelf delinquent
- / 4