Woorden: 1476
VERWEERSCHRIFT IN HOGER BEROEP
aan het Gerechtshof Afdeling civiel recht Team Familie en Jeugd te Den Haag
Geeft eerbiedig te kennen:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: Jeugdbescherming,
gevestigd te Den haag, in deze geïntimideerde, die in eerste aanleg optrad als verzoekende partij.1
Verzoekster Merel LINDERS, hierna te noemen ‘Merel’, in deze appellante 2 ,wonende op een geheimadres, in deze zaak woonplaats kiezende te Voorschoten aan het kantoor van advocaat mr. P. Jones, die in deze zaak tot haar advocaat wordt gesteld en als zodanig voor haar in rechte zal optreden, is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank te
Den Haag van 31 augustus 2020 (zaaknummer: C/09/555000 / JE RK 00-000).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
B.K. Elvers en J. LI, hierna te noemen: de pleegmoeders.
1.Jeugdbescherming heeft kennisgenomen van het ingediende appelschrift d.d. 2 november 2020 tot vernietiging van de beschikking d.d. 31 augustus 2020, waarbij de kinderrechter een machtiging heeft verleend Merel te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet van 3 september 2020 tot 3 december 2020.1 Op grond van artikel 6.1.8 lid 2 kan de gecertificeerde instelling die een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert het verzoek gericht op verkrijgen van een machtiging doen.2 In het civiele recht is de minderjarige in beginsel procesonbekwaam (artikel 1:245 lid 4 jo 1:253i lid 1).Wettelijke uitzondering hierop is artikel 6.1.1 lid 2 Jeugdwet. Inzake betrekking hebbend op hoofdstuk 6 Jeugdwet is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, bekwaam in en buiten rechte op te treden. Op deze grond komt aan Merel een zelfstandig recht tot hoger beroep toe.
1 1 / 2
2.Jeugdbescherming verzoekt om al hetgeen dat door Jeugdbescherming naar voren is gebracht in de procedure in eerste aanleg hier als herhaald en ingelast te beschouwen.Aan de processuele vereisten voor de behandeling van het verweer zijn voldaan en zullen niet verder worden toegelicht.3 Feiten en omstandigheden 3.Merel verblijft sinds haar eerste levensjaar in een pleeggezin, aangezien haar ouders niet voor haar konden zorgen. Na zes jaar in een eerste pleeggezin te zijn opgegroeid is Merel in het pleeggezin gekomen met de pleegmoeders. Bij beschikking d.d. 28 september 2014 heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling 4 benoemt tot voogdes.Sinds de scheiding van pleegmoeders in september 2019 is er sprake van een verandering in het gedrag van Merel.5 Er is weinig zicht op haar sociale leven en er zijn zorgen over haar seksuele ontwikkeling. Er is sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van Merel. Bij beschikking d.d. 23 augustus 2020 is een spoedmachtiging verleend Merel te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 23 augustus 2020 tot 3 september 2020.Bij beschikking 31 augustus 2020 is deze machtiging verleend voor de duur van 3 maanden, waartegen het hoger beroep is gericht.3 Op grond van artikel 6.1.2 lid 3 Jeugdwet kan een machtiging voor gesloten plaatsing slechts voor jeugdigen die de leeftijd van achttien nog niet hebben bereikt worden verleend indien: a) de jeugdigen onder toezicht is gesteld; b) de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. Op grond van artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet kan een machtiging slechts worden verleend indien (…) de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. In de Memorie van Toelichting wordt dit benoemd als het “adviseren over welke jeugdhulp er precies nodig is en hoelang deze hulp verplicht moet worden” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, 3, p. 138). Op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet behoeft het verzoek de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Aan voornoemde wettelijke vereisten is voldaan, nu Jeugdbescherming de gecertificeerde instelling is die bij beschikking d.d. 28 september 2014 tot voogdes is benoemd, Jeugdbescherming in eerste aanleg een verklaring heeft overlegd als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet; bepaling Jeugdhulp en het rapport van een gekwalificeerde gedragswetenschapper is die Merel kort tevoren heeft onderzocht.4 Toen: stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, nu Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.5 Voor een volledig relaas van de feiten verwijs ik naar het verzoekschrift van Jeugdbescherming d.d. 23 augustus 2020.
- / 2