Scheikunde NOVA VWO 6 Hoofdstuk 12 Materialen Paragraaf 12.1 Van structuur naar eigenschappen Materiaaleigenschappen Chemisch Brandbaarheid, oplosbaarheid, uv-gevoeligheid, hydrofiel/-foob Elektrisch Soortelijke weerstand Mechanisch Treksterkte, druksterkte, snelheid, hardheid, vervormbaarheid Optisch, akoestisch Kleur, brekingsindex, voortplantingssnelheid (licht en geluid) Thermisch Smelt-/kookpunt, soortelijke warmte In de bouw zijn mechanische eigenschappen van materiaal belangrijk rekening houden met enorme krachten. De hoeveelheid kracht die een materiaal per m 2 kan verdragen, wordt op 2 manieren gemeten: trekproef en drukproef. Dit verschilt per materiaal. Bijv. glas: druk
> trek en beton: trek > druk [Binas 10 B].
Macroniveau = door de mens waarneembare kenmerken en meetbare eigenschappen
(± 10
-1 t/m 10
m) Microniveau = bekeken op niveau van atomen, ionen, moleculen en structuurformules
(± 10
-1 nm) Mesoniveau = manier waarop deeltjes op microniveau zijn geordend tot grotere moleculen
(± 10
-7 t/m 10 -6 m) Materiaalkunde Metalen = opgebouwd uit positief geladen atoomresten en elektronen die vrij door het metaalrooster kunnen bewegen
- eigenschappen: hard, taai, vervormbaar, glanzend, hoge geleidbaarheid en mengbaarheid
- + en – deeltjes trekken elkaar aan metaalbinding
- andere eigenschappen bij legering (mengsel)
- bij hoge temperatuur geen bewegingsvrijheid in een gunstige positie t.o.v. elkaar
- natuurlijke klei
- polymeermoleculen kunnen sterke vanderwaalsbindingen vormen. Hoe langer de keten,
met andere metalen
Keramiek = álle materialen die door verhitting blijvend harder zijn geworden
bewegen onderlinge bindingssterkte wordt sterk vergroot afstand tussen deeltjes kleiner en voorwerp krimpt
> laat je het drogen wordt het hard, voeg je water toe wordt het zacht > temperatuur boven 900˚C klei blijft hard Polymeren = gemaakt uit kleinere moleculen (monomeren) die in een polymerisatiereactie aan elkaar zijn gekoppeld met honderden / duizenden tegelijk
hoe sterker de vanderwaalsbinding, hoe harder het materiaal. Hoe meer zijketens, hoe zwakker de vanderwaalsbinding. 1 / 2
- polymerisatiegraad = gemiddelde ketenlengte kun je uitdrukken in de hoeveelheid
- weekmakers = stoffen die kunststof producten zacht en buigzaam maken
- thermoplast = materiaal van plastic dat bij verhitting zacht wordt. Het materiaal moet uit
- thermoharder = materiaal van kunststof dat bij verhitting hard blijft
- ze kunnen hoge drukspanning verdragen, dat voorkomt zodat bijv. beton breekt bij te hoge
monomeermoleculen die per polymeermolecuul aan elkaar zijn gekoppeld > amorf = vaste stof zonder kristallijne structuur: atomen / ionen / moleculen zijn willekeurig gerangschikt (bord spaghetti) > kristallijn = polymeermoleculen parallel langs elkaar gerangschikt (doos spaghetti)
losse polymeerketens bestaan
Vervormbaarheid Uitrekken Microniveau Thermoharders NietNiet mogelijk Veel crosslinks Elastomeren Een beetje Tijdelijk Weinig crosslinks Thermoplasten veelblijvend Geen crosslinks Composiet = bestaat uit twee of meer bestanddelen. Het combineert de gunstige eigenschappen van de oorspronkelijke bestanddelen, waardoor nieuw materiaal ontstaat dat betere eigenschappen heeft dan de afzonderlijke materialen
trekspanning Paragraaf 12.2 Additiepolymeren radicaal = reactief deeltje met ongepaard elektron additie = dubbele of driedubbele binding nodig additiepolymerisatie = radicaalreactie waarbij dubbele bindingen in het monomeer verdwijnen en atoombindingen tussen monomeermoleculen tot stand komen
- nodig: monomeer met C = C (alkeen) of C ≡ C (alkyn)
- 3 fasen
1. Initiatie: radicaal vormt
2. Propagatie: radicaal reageert met monomeer
- Terminatie: 2 radicalen reageren einde reactie
- / 2