Inhoud WC1 Hoofdcasus CBL: Introductie concomitant scheelzien .......................................................... 2 WC2 Niet-specifieke esotropie & strabismus-amblyopie ................................................................ 8 WC3 Volledig accommodatieve esotropie ...................................................................................... 19 WC4 - Accommodatieve esotropie en convergentie exces ......................................................... 30 WC5 - Partieel accommodatieve esotropie .................................................................................... 41 WC6 - Near esotropie en Cyclische esotropie ............................................................................... 50 WC7 - Casuïstiek ................................................................................................................................ 57
- / 3
WC1 Hoofdcasus CBL: Introductie concomitant
scheelzien Op je spreekuur zie je Rens (jongen 3 jaar, 9 mnd). De moeder van Rens ziet het rechteroog naar binnen draaien als hij in boekjes kijkt. Als hij in de verte kijkt ziet ze het nog wel maar veel minder erg. Ze ziet het scheelzien sinds ongeveer een half jaar. Ze heeft het direct aangekaart bij de CB -arts maar door lange wachttijd nu pas aan de beurt.Omdat moeder zelf als kind behandeld is voor scheelzien en een lui oog vindt ze het heel erg dat haar zoontje dit heeft. Ze is er vroeger heel veel mee gepest. Moeder draagt een plus-bril.
Scheelzien kun je grofweg verdelen in twee vormen: Concomitant & Inconcomitant scheelzien. In deze module zullen we uitsluitend Concomitant scheelzien behandelen.Concomitant scheelzien is de meest voorkomende vorm: 75% van het scheelzien valt hieronder. We zullen in deze module veel verschillende orthoptische diagnoses behandelen die onder de paraplu vallen van Concomitant scheelzien.
We spreken van Concomitant scheelzien als de oogbewegingen normaal zijn, ten tijden van het ontstaan van het scheelzien. Daarnaast is het belangrijk dat er (nagenoeg) geen verschil is in de mate van de scheelzienshoek bij Rechts en Links fixatie. Om scheelzien op een juiste manier te kunnen diagnosticeren en behandelen moet je eerst meer weten over de achtergrond van het concomitant scheelzien. Start daarom met het bestuderen van het Hoofdstuk 11 van Ansons & Davis (2014) Beantwoord nu onderstaande vragen
- Waarom valt het verticale scheelzien niet onder het concomitante scheelzien?
- Concomitant scheelzien is overwegend horizontaal. Verticaal scheelzien is in het
- Noem de 5 vormen van scheelzien waarin concomitant scheelzien is ingedeeld.
- Primair manifest strabismus
- Primair manifest scheelzien kan constant of intermitterend en esotroop of
- De afwijkingshoek kan variëren van zeer klein, resulterend in microtropie met
- Het begin kan in de kindertijd zijn, meestal tussen de 2 en 4 maanden oud
- Latent strabismus
- Latent strabismus kan voorkomen als esoforie of exoforie
- Consecutieve strabismus 2 / 3
begin bijna altijd incomitant, veroorzaakt door hersenzenuwverlamming of oogspierafwijkingen, waaronder restrictief scheelzien als gevolg van een aangeboren afwijking, ontsteking van de oogspier of trauma
Onder welke vorm van scheelzien valt de casus van Rens?
exotroop zijn.
nuttig maar niet bifoveaal binoculair enkelvoudig zicht, tot zeer groot.
(infantiele strabisme), of later in de kindertijd. Het optreden na de leeftijd van 6 jaar komt soms voor en suggereert de mogelijkheid van een neurologische of pathologische oorzaak, die moet worden uitgesloten voordat behandeling wordt overwogen.
- Consecutieve strabismus, optreedt op wanneer de richting van de afwijking
- Dit resulteert in een exotropie na primaire esotropie of esotropie na primaire
- Secondair strabismus gevolgd door pathologisch visusverlies in 1 of 2 ogen
- Het kan voorkomen als esotropie of exotropie, grotendeels afhankelijk van de
- In het algemeen treedt exotropie op als de visus verloren gaat bij of zeer kort
- Resterende strabismus
- Het treedt op wanneer een manifest scheelzien na een operatie blijft bestaan
omkeert, hetzij na een operatie of met het verstrijken van de tijd.
exotropie
beginleeftijd.
na de geboorte of op volwassen leeftijd; esotropie ontstaat als het visusverlies zich voordoet in de kindertijd
voor een grotere primaire afwijking
➔ Rens valt onder de vorm primair manifest strabismus
- Etiologie.
- Erfelijkheid
- Hoe vaak komt manifest scheelzien voor in het Westelijk halfrond?
- Manifest scheelzien komt bij 3-4% van de populatie in het westelijk halfrond
- Hoe groot is het risico op scheelzien indien één van de ouders scheelzien
- Indien 1 van de ouders strabismus heeft is de kans dat het kind het ook krijgt
- Welke vorm van scheelzien is vaker erfelijk belast?
- Het overervingspatroon is multifactorieel. Het type scheelzien varieert tussen
- Op basis van tweelingstudies vereist manifest strabismus een genetische
- Een voorgeschiedenis van scheelzien lijkt vaker voor te komen bij
- Refractie. Een niet gecorrigeerde refractie kan leiden tot scheelzien.
voor
heeft?
4x zo groot dan wanneer beide ouders geen strabismus hebben
gezinsleden en het wordt waarschijnlijk geacht dat de predisponerende factor wordt geërfd in plaats van het scheelzien zelf.
aansprakelijkheid, terwijl omgevingsfactoren voldoende zijn om de meeste fories te veroorzaken.
hypermetrope accommodatieve esotropie dan bij infantiele esotropie, anisometrope esotropie of exotropie.
Benoem de vorm van scheelzien die kan ontstaan in geval van ongecorrigeerde:
- Hypermetropie. En vanaf welke sterkte is er een groot risico? Bedenk welk
- Bij milde hypermetropie is het meest voorkomende vorm van scheelzien een
- Kinderen met een hypermetropie groter dan +3,50 hebben een groter risico op
- Door het weg accommoderen van de +3,50 kan een oog naar binnen gaan
- Anisometropie
- Anisometropie beïnvloed de ontwikkeling van het zicht, waardoor er centrale
- Congenitale hoge myopie.
- Hoge congenitale myope sterktes kunnen een esotropie veroorzaken
- / 3
mechanisme hiervoor verantwoordelijk voor is.
accommodatieve esotropie
amblyopie en scheelzien dat hun visuele functie bedreigt
staan (nabij trias accommoderen, convergeren en miosis). Door de accommodatie prikkel wordt het convergeren ook gestimuleerd
suppressie en amblyopie kan ontstaan. Het komt het meest voor bij een microtropie