• wonderlic tests
  • EXAM REVIEW
  • NCCCO Examination
  • Summary
  • Class notes
  • QUESTIONS & ANSWERS
  • NCLEX EXAM
  • Exam (elaborations)
  • Study guide
  • Latest nclex materials
  • HESI EXAMS
  • EXAMS AND CERTIFICATIONS
  • HESI ENTRANCE EXAM
  • ATI EXAM
  • NR AND NUR Exams
  • Gizmos
  • PORTAGE LEARNING
  • Ihuman Case Study
  • LETRS
  • NURS EXAM
  • NSG Exam
  • Testbanks
  • Vsim
  • Latest WGU
  • AQA PAPERS AND MARK SCHEME
  • DMV
  • WGU EXAM
  • exam bundles
  • Study Material
  • Study Notes
  • Test Prep

Week 1: Inleiding: Historici en internationale betrekkingen

Class notes Dec 27, 2025 ★★★★★ (5.0/5)
Loading...

Loading document viewer...

Page 0 of 0

Document Text

Week 1: Inleiding: Historici en internationale betrekkingen Hoorcollege: Historici en internationale betrekkingen: een ongelukkig huwelijk?

Er zijn vijf belangrijke theorieën: realisme, met een focus op analyse,

belangrijke actoren, gedrag en/of doelstellingen van staten, sleutelbegrippen en sterke en/of zwakke punten; liberalisme, met een focus op analyse, belangrijke actoren, gedrag en/of doelstellingen van staten, sleutelbegrippen en sterke en/of zwakke punten; constructivisme, met een focus op ideeën en identiteit; feminisme, met een focus op gender; en marxisme, met een focus op klasse. Maar waar past de geschiedenis in dit plaatje?Kritiek vanuit geschiedenis op IB Historici stellen dat alles wat politieke wetenschappers doen is het maken van generieke uitspraken op basis van ‘objectieve’ cijfers. Een voorbeeld hiervan is dat IB’ers stellen dat staten die met elkaar handelen, nooit tot conflicten over zullen gaan. Enerzijds hadden zij gelijk, bijvoorbeeld te zien aan de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maar anderzijds hadden zij ook ongelijk, bijvoorbeeld te zien aan de samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland (Nordstream). Een andere stelling van IB’ers zijn dat conflicten uitbreken zodra staten geen toegang hebben tot benodigde natuurlijke hulpbronnen. Nogmaals is te zien dat zij enerzijds gelijk hadden, bijvoorbeeld oorlogen in Afrika die worden gevoerd rondom toegang tot water. Anderzijds hadden zij ook ongelijk, aangezien er veel meer voorbeelden zijn van initiatieven die zulke oorlogen juist actief voorkomen. Historici stellen zodoende dat ‘algemenisering’ geen nut heeft, maar dat men eerder naar een concrete en specifieke casus moeten kijken; context blijkt essentieel. Geschiedenis verloopt niet lineair, zij verloopt contigent, niet-noodzakelijk. Een voorbeeld is het stemrecht van vrouwen, die in Europa ongeveer rond 1920 wordt geïntroduceerd als reactie op de Eerste Wereldoorlog. Maar zagen vrouwen het zelf als een logisch verloop van de geschiedenis? Een andere kritiek van historici op politieke wetenschappers is hun

presentisme: de nadruk op het recente, geredeneerd vanuit het heden,

maar ook het heden gebruiken om het verleden te beantwoorden. Lynn Hunt stelt daarbij dat presentisme voor gevaar zorgt, aangezien het morele zelfgenoegzaamheid en temporele superioriteit tot leven brengt.Hunt stelt dat de spanning tussen het hedendaagse zorgen moet worden erkent, maar het verleden moet ook gerespecteerd worden.Kritiek vanuit IB op geschiedenis IB’ers zien geschiedenis als ‘one damn thing after another’; geschiedenis blijkt beschrijvend te zijn, terwijl oorzaak-gevolg-relaties vaak onbeantwoord blijven. Echter gebruiken historici wel theorieën en hebben aannames, maar worden deze vervolgens niet bevraagd of actief gebruikt; historici kunnen zodoende van IB’ers leren.Wat is geschiedtheorie in het algemeen? 1 / 4

Geschiedenis is datgeen wat er in het verleden is gebeurd, maar ook het verhaal over datgeen wat geschied was. In het eerste geval wordt er gefilosofeerd over substantiële geschiedfilosofie (bijvoorbeeld Marx); in het tweede geval wordt er gefilosofeerd over analytische geschiedfilosofie (wat is een feit of verklaring?). Herman Paul stelt vier vormen van het

verleden: het chronologisch verleden, het voltooid verleden, het vreemde

verleden en het huidige verleden.Wanneer werd geschiedenis geboren?De geboorte van geschiedenis als vakgebied was rond 1800. Op het moment dat geesteswetenschappen geboren worden, komen drie

ontwikkelingen samen: het ontstaan van de mens, de opkomst van het

idee van de Geist en de historisering van het wereldbeeld. Er ontstond een nieuwe manier waarop kennis tot stand komt. Enerzijds wordt het beredeneerd vanuit de natuur en het object, anderzijds vanuit de rede, geest of subject. Dit stond in verbinding met het empirisme, waarneming en inductief redeneren (van individueel naar generalisaties), en rationalisme, kennis afleiden van ontwijfelbare (rationele) zekerheden en deductief redeneren. De laatste vorm kwam voort uit de twijfelachtigheid van menselijke waarnemingen; men moet altijd twijfelen aan wat zij observeren. Zodoende valt er geen kennis te halen uit observaties – maar wél uit het menselijk verstand.Immanuel Kant is een belangrijke denker binnen de geschiedenis; hij brengt een nieuwe gedachte. Kant gebruikt zowel empirisme als rationalisme, om vervolgens transcendentaal te redeneren. De mens benaderd Kant niet als vol met twijfel, maar eerder vol met niet-zichtbare kennis (mogelijkheidsvoorwaarde); menselijke gedachten hebben een zuivere categorie (causaliteit) en veel aanschouwingsvormen (bijvoorbeeld ruimte en tijd). Mocht men niet transcendentaal zijn, weten zij niet wat er speelt. De mens is zodoende subject (observeert) als object (iets wat bestudeerd kan worden); de mens als ‘uniobject’ is uniek.Willhelm Friedrich Hegel was geïnspireerd door Kant en zag, net als Kant, de wereld als product van de mens. Hegel stelt de ‘geist’ – geen individueel concept, maar eerder een collectieve geest (bijvoorbeeld tijdsgeest). Hegel stelt in zijn begrip van ‘geist’ ook een ontwikkelingsperspectief; er ontstaat een steeds beter begrip van de wereld, onder andere door these > antithese > synthese. Het ontwikkelingsperspectief zorgde zodoende voor een gehistoriseerd

wereldbeeld, met Erfahrungssraum en Erwartungshorizont: eerdere

ervaringen waren garant voor het heden en de toekomst – waardoor geschiedenis bestudeerd werd, bijvoorbeeld door koningen om hun macht te consolideren. De achttiende eeuw zorgde echter voor een verandering van dit beeld; men had weliswaar een Erfahrungssraum, maar deze stond niet garant voor de toekomst. De geschiedenis kon zodoende niet langer dienen als leermeester, maar werd alsnog wel bestudeerd om duiding te

trekken: geschiedenis werd gebruikt om het heden te begrijpen.

Geschiedenis hanteerde ook haar eigen methodes; interpretatie stond hieraan ten grondslag. De methodiek wordt ook wel Hermeneutiek 2 / 4

genoemd, bedacht door Friedrich Schleiermacher met zijn onderzoek naar de Bijbel. Om zulk onderzoek echter volledig te begrijpen, moest men de auteur ook begrijpen; dit fenomeen (de wisselwerking tussen het begrijpen van auteur en bestudeerd object) wordt ook wel de Hermeneutische cirkel genoemd. Dit historisme stond ten grondslag binnen de Duitse geschiedschrijving, met Leopold von Ranke als hoofd.Ranke wilde het verleden – binnen zijn onderzoek voornamelijk staatsdocumenten, waardoor er een voornaamste nadruk kwam op diplomatie – in zijn eigenheid te kunnen tonen; het ‘verstehen’ van de bron zelf. Echter zijn er wel vraagtekens te plaatsen bij Ranke’s

beredenering: kan een historicus wel objectief zijn? Wilhelm von Dilthey

noemt het ook wel de subjectpositie: een historicus blijft altijd zijn

vooroordeel behouden; als men echter hard genoeg zijn best deed, konden zij zichzelf losmaken van het heden en zich inleven in het

verleden. Daarnaast ontstond ook de Cartesiaanse angst: iets moest een

‘harde’ (objectieve) wetenschap zijn; subjectiviteit had zodoende geen plaats binnen de wetenschapsbeoefening. Gadamar is hierin positiever en stelt de historische gesitueerdheid als noodzakelijke voorwaarde voor kennis; zonder traditie en vooroordelen kan men nooit tot interpretatie omgaan. Vanuit die ‘horizon’ start de interpretatie; zo hadden ook historische objecten zo’n zelfde ‘horizon’. De dialoog tussen iemands eigen horizon en de horizon van historische objecten leidt, zo stelt Gadamar, tot kennis – de Horizontverschmelzung.Carr, The Historian and His Facts (1)Wat is volgens Carr het verschil tussen een ‘basic fact’ en een ‘historical fact’?Carr zegt dat veel feiten over het verleden wel “feitelijk waar” kunnen zijn, maar nog niet automatisch historische feiten zijn. Een

basic fact is in zijn beschrijving iets als: “de Slag bij Hastings was in

1066”, of: “Caesar stak de Rubicon over”. Zulke feiten zijn belangrijk

voor nauwkeurigheid, maar ze zijn vooral het ruwe materiaal waaruit historici werken. Ze zijn dus niet het eindproduct van geschiedschrijving. Een historical fact ontstaat pas wanneer historici een feit selecteren, er gewicht aan geven, en het in een verhaal of verklaring plaatsen. Carr formuleert dat scherp door te zeggen dat

feiten niet “zelf spreken”: ze spreken pas wanneer de historicus ze

oproept, en de historicus beslist welke feiten het woord krijgen en in welke volgorde en context. Hij illustreert dit ook met het idee dat

een feit “lid” kan worden van de “club” van historische feiten: een

gebeurtenis kan eerst in voetnoten opduiken, later in de hoofdtekst, en pas als andere historici de interpretatie relevant vinden wordt het

een stevig “historisch feit”. Met andere woorden: het label

“historisch feit” hangt af van interpretatie en betekenisgeving.(2)Waarom is het belangrijk om het verschil tussen deze soorten feiten in de geschiedschrijving te (h)erkennen?Volgens Carr helpt dit onderscheid om te begrijpen dat geschiedschrijving niet neerkomt op het verzamelen van losse feiten 3 / 4

en die daarna “neutraal” opschrijven. Als je doet alsof historische kennis alleen maar een stapeling van feiten is, verberg je dat er altijd selectie en interpretatie plaatsvindt. Carr waarschuwt dat je

dan al snel in een verkeerde tegenstelling terechtkomt: óf je maakt

“knip-en-plakgeschiedenis” zonder betekenis, óf je maakt propaganda/fiction die alleen feiten gebruikt als versiering voor een vooraf bedacht verhaal. Zijn punt is juist dat goede geschiedenis een voortdurende wisselwerking is tussen feiten en interpretatie.

Door het verschil te erkennen, word je als lezer ook kritischer: je

gaat vragen waarom juist deze feiten centraal staan, welke alternatieve feiten óók relevant waren, en welke belangen of kaders meespelen in wat als “belangrijk” geldt.(3)De twee sterkst uiteenlopende posities binnen het debat over historische feiten zijn het positivisme en het relativisme. Hoe zou je deze stromingen definiëren (in eigen woorden)? En waar zou je Carr binnen dit debat positioneren?In simpel Nederlands kun je het zo neerzetten. Positivisme (in dit debat) is de overtuiging dat het verleden in principe objectief

kenbaar is: als je maar genoeg bronnen hebt en zorgvuldig werkt,

kun je “de feiten” vaststellen en daarna bijna automatisch tot de juiste geschiedenis komen. Dat lijkt op het idee dat feiten als het ware klaar liggen om opgepakt te worden. Relativisme is het

tegenovergestelde uiterste: het idee dat geschiedenis vooral een

product is van het perspectief van de historicus (tijd, waarden, belangen), waardoor er geen stevige grens meer is tussen “wat er gebeurde” en “hoe iemand het vertelt”. Carr positioneert zich nadrukkelijk tussen die uitersten. Hij verwerpt zowel het idee dat geschiedenis een puur objectieve compilatie is, als het idee dat het alleen maar subjectieve constructie is. Zijn kernformule is dat de historicus voortdurend feiten vormt naar interpretatie én interpretatie vormt naar feiten; je kunt geen absolute “eerste plaats” toekennen aan één van beide.Craig, The Historian and the Study of IR (1)Wat kenmerkt ‘oude’ diplomatieke geschiedenis (volgens Craig en Malchow)?Craig schetst “oude” diplomatieke geschiedenis als een traditie die

sterk leunt op officiële archieven en een vrij smal beeld van politiek:

veel aandacht voor grote mogendheden, ministers, ambassades, verdragen en formele onderhandelingen. Hij maakt dat bijna karikaturaal concreet door te zeggen dat een standaardmonografie ooit letterlijk werd overgeschreven uit Foreign Office-papieren, met Latijnse frasen en extreem specialistische voetnoten. Malchow

beschrijft hetzelfde “oude” patroon in vergelijkbare termen:

diplomatie als een elitaire, top-down praktijk, bekeken via een staat- en archiefgerichte lens (en daarmee ook vaak een nationale lens).

  • / 4

User Reviews

★★★★★ (5.0/5 based on 1 reviews)
Login to Review
S
Student
May 21, 2025
★★★★★

I was amazed by the practical examples in this document. It helped me ace my presentation. Truly superb!

Download Document

Buy This Document

$1.00 One-time purchase
Buy Now
  • Full access to this document
  • Download anytime
  • No expiration

Document Information

Category: Class notes
Added: Dec 27, 2025
Description:

Week 1: Inleiding: Historici en internationale betrekkingen Hoorcollege: Historici en internationale betrekkingen: een ongelukkig huwelijk? Er zijn vijf belangrijke theorieën: realisme, met een fo...

Unlock Now
$ 1.00