Inhoudsopgave Week 1: Plato en Aristoteles...............................................................................................2 Hoorcollege...................................................................................................................................2 Plato – Meno, twee fragmenten....................................................................................................5 Plato – Theaetetus, twee fragmenten...........................................................................................6 Aristoteles – Metaphysica.............................................................................................................8 Aristoteles – Physica....................................................................................................................10 Week 2: Universalia..........................................................................................................11 Hoorcollege: Universalia.............................................................................................................11 John Locke – An Essay Concerning Human Understanding..........................................................14 Week 3: Kennis en Scepsis.................................................................................................15 Hoorcollege: Kennis en Scepsis....................................................................................................15 Meditations on First Philosophy – René Descartes......................................................................19 Hume – An Enquiry Concerning Human Understanding...............................................................20 Week 5: Transcendentale filosofie.....................................................................................21 Hoorcollege Kant.........................................................................................................................21 Immanuel Kant – Kritik der reinen Vernunft: Inleiding................................................................24 Immanuel Kant – Kritiek der Reinen Vernunft: Transcendentale esthetiek.................................25 Week 6: Het analytisch/synthetisch onderscheid...............................................................27 Hoorcollege Carnap & Quine.......................................................................................................27 Rudolf Carnap – The Elimination of Metaphysics Through Logical Analysis of Language.............30 Willard Van Orman Quine – ‘Two Dogma’s of Empiricism’..........................................................31 Werkcollege Kant, Carnap & Quine.............................................................................................34 1 / 4
Week 1: Plato en Aristoteles
Hoorcollege Plato is de oudere, Aristoteles de jongere, 40 jaar later geboren. Plato komt uit Athene, Aristoteles uit Macedonië, dus die was vreemd in Athene waar hij studeerde. Plato schrijft dialogen, die veel bewaard zijn gebleven. Het is meer een kunstwerk, dus wie heeft nou de mening van Plato? Meno in ieder geval niet, want die weet niet waar hij het over heeft. Aristoteles is wel veel verloren van gegaan, vooral notities over. Plato heeft i.t.t. Aristoteles affiniteit met wiskunde, die vindt hij mooi, omdat het een abstractie is van de werkelijkheid. Aristoteles heeft meer met biologie en richt zich dus ook meer op het concrete. Dus hij inventariseert altijd eerst meer hoe iets in de echte wereld voorkomt.Je hebt het ‘zijnde’, het denken en het kennen. Het denken blijft maar binnen het lichaam, kennen (cognitie) gaat over de buitenwereld.
1.Het denken wordt in kaart gebracht door de logica.
2.Het zijnde wordt in kaart gebracht door de ontologie.
3.Het kennen wordt in kaart gebracht door de kentheorie/epistemologie.Plato heeft het over wetenschap. Dat ging niet over empirische wetenschap zoals we dat nu kennen, maar gewoon over het weten, de episteme. Dat wordt gecontrasteerd met iets aanzien, ergens een indruk van hebben. Kenmerken van wetenschap zijn volgens Plato en Aristoteles allebei: 1.Consistentie. Er mag geen tegenspraak zijn in je denken, het moet consistent zijn. Als er wel tegenspraak is, moet die weerlegd kunnen worden.
2.Algemeenheid. De wetenschap moet algemeen geldig zijn.oEr moet een punt van eenheid zijn, een definitie moet altijd opgaan, niet ‘lokaal’ zijn.oEen definitie beschrijft alleen de algemene hoofdzaken (universalis/universalia), niet de eigenschappen van individuele dingen.oDe definitie maakt het bijzondere abstract. Dat wat gemeenschappelijk is aan het concrete, komt in de definitie terecht.
3.Betrouwbaarheid/consistentie. Wetenschappelijke kennis is vaste kennis en moet altijd kloppen. Het relativisme staat hier tegenover, dat stelt dat de waarheid altijd relatief is. Daar willen Plato en Aristoteles aan ontkomen. Waar ze daarbij tegenaan lopen, is dat zintuiglijke waarnemingen niet betrouwbaar zijn, inconsistent. Bij Plato kom je niet echt verder dan een korte ‘aanraking’ van het denken met het zijn/wezen, de menselijke kennis is vluchtig.
Over het vierde kenmerk verschillen Plato en Aristoteles van mening:
4.Correspondentie. Correspondeert het weten ook met hoe het echt is, met ‘het zijnde’. Gaat het wel echt ergens over?oVoor Plato is echte wetenschap, kennis die overeenkomt met ‘de idee’ of de deugd.Deze gaat vooraf aan zintuiglijke waarneming. Dus de idee van dat is een paard is, gaat vooraf aan het zien van een paard. De abstracte ‘paardheid’, wat een paard een paard maakt, het zijnde, is echt en de concrete voorbeelden die je ziet van paarden zijn slechts schijn (Aristoteles vindt dit raar). Maar je kan wel op de idee van een paard komen door concrete voorbeelden te zien, maar dan komt het alsnog van binnenuit of eigenlijk juist van een externe werkelijkheid, het schiet je plotseling te binnen. De concrete voorbeelden van bijvoorbeeld het paard zijn, zijn nooit precies ‘het Ware’, ‘het Ware’ is altijd abstract. Je moet in discussie gaan over definities en dergelijke om ineens een herinnering te krijgen van ‘het Ware’, de nadruk ligt minder op empirisch onderzoek. 2 / 4
oVolgens Aristoteles haal je uit zintuiglijke waarnemingen kennis over wat een paard een paard maakt, je ziet herhalende eigenschappen. Je leert volgens hem meer wat de idee van een paard is.Aristoteles vraagt zich af hoe betrouwbare kennis mogelijk in relatie met onze waarneming van de stoffelijke werkelijkheid. Hij stelt dat dit kan omdat er iets blijvends zit in de werkelijkheid en je dit door ervaringen kan onderzoeken. Dit maakt hem een empiricus. Aristoteles is dus minder dan Plato van mening dat alles vergankelijk is en men niks zeker weet. Plato is sceptischer.
Plato: universalia zit ‘ante rem’, gaat vooraf aan de dingen
Aristoteles: universalia zit ‘in re’, in de dingen
Plato zegt (i.t.t. de algemene overtuiging) dat kennis/definitie/zijnde/wezen niet vast is, telkens opnieuw tot stand komt. Er is geen definitief resultaat, de wetenschap wordt als dynamisch gezien.Aristoteles is meer dogmatisch dan Plato (i.t.t. de algemene overtuiging). Volgens Aristoteles kan je uit de dingen kennis halen, die komt na zintuiglijke waarneming, ‘a posteriori’. Plato zegt juist dat de kennis vooraf moet gaan aan zintuiglijke waarneming, ‘a priori’, je kan volgens hem niet met je zintuigen tot ‘weten’ komen.Voor Plato is dus de herinnering, anamnesis, erg belangrijk, dat iets je te binnen schiet. De ziel heeft ware kennis, maar die is vertroebeld geraakt toen de ziel met een lichaam verbonden werd, maar door anamnesis kan de ware kennis weer opgehaald worden. De vraag is of die een pedagogisch verhaaltje is, of dat hij er ook echt in gelooft. Als hij er niet in gelooft, dan bedoelt hij het verhaal over de ziel meer als een metafoor, en gaat het vooral om de manier waarop je kennis verkrijgt, namelijk doordat iets je te binnenschiet. De docent ziet het verhaal over de ziel meer als illustratie. Kennis komt dus niet uit puur uit empirisch onderzoek volgens Plato, maar uiteindelijk door een spontane herinnering, die wel geholpen kan worden door empirisch onderzoek. Aristoteles is meer een empirist wel, en Plato meer een idealist. D.w.z. ‘de idee doet zich aan mij voor’. Je kunt ook zeggen dat Aristoteles een realist is, die vertrouwt op de werkelijkheid van zintuiglijke waarnemingen, waar Plato meer een kritisch denker is. Zintuiglijke werkelijkheid is niet beslissend, hij gebruikt een extern criterium, namelijk ‘het Ware’.Plato en Aristoteles komen er allebei gaandeweg achter dat je eerste principes nodig hebt. Deze functioneren in het domein van de logica. Op een gegeven moment kan je niet meer zeggen waarom iets zo is, dus dan moet je bepaalde principes hebben waar je vanuit gaat. Er moet een einde komen.Dit noemen ze eerste principes. Je kunt die alleen maar noemen, niet meer beredeneren. Dan gaan ze dus over naar de kentheorie. Het is niet meer te verklaren, dus moet je kennen hoe die eerste principes werken. Bij Plato moet je je dat dus herinneren, waar het bij Aristoteles uit zintuiglijke waarnemingen moet komen. Logica grenst dus aan kentheorie.Bij Plato moet je voor waar aannemen wat je je herinnert, want je kan het niet controleren.Hij heeft er ook een ontologie aan verbonden, omdat hij heeft het over ‘het zijnde’. Het zijnde wordt in het Nederlands en Engels vertaald in werkelijkheid, terwijl het zijnde juist niet voorkomt in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, het is een abstract concept. Zijn filosofie is meer relatief en heeft minder aanknopingspunten in de werkelijkheid.Bij Artistoteles kan je zien dat er een consistentie is tussen logica, ontologie en kentheorie.De kentheorie benoemt hij in het begin van Metaphysica. Kennis krijg je volgens hem door zintuiglijke waarneming, geheugen/ervaring en wat je daarmee ziet dat zich herhaalt, wat het algemene is. Hij zit dit als een kenproces, niet een kenprocedure. Dat houdt in dat het gewoon gebeurt en we niet interfereren en daarom is de opgedane kennis te vertrouwen. Hiervoor heb je argumenten nodig. Eerste principes kan je niet bewijzen met argumenten. Wat je wel kan doen, is ze aannemelijk maken door voorbeelden te geven, dat noemt hij inductie (anders dan moderne inductie). Die inductie valt onder zijn logica. Dus tegelijkertijd is er een passief proces waarbij je van ervaringen naar een definitie komt, maar die maak je dan weer plausibel door actief bijzondere 3 / 4
voorbeelden te analyseren. De zoektocht naar het zijnde (ontologie dus) komt bij Aristoteles uit op de identiteit van het wezen, dat wat hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld wat bij paarden over verschillende generaties hetzelfde blijft. ‘Een mens brengt een mens voort’ gaat daar dus ook over, dat wat de ene mens op de andere mens overbrengt, de mens die zich voortplant. Het zijnde bestaat bij beiden alleen bij normatieve begrippen, dus niet bij iets doods als modder.Werkcollege Bij Locke gaat het erover hoe je met algemene termen die Universalia kan beschrijven. Hij is een empirist en hij zegt dat wij van Universalia algemene ideeën hebben. De term moet terugslaan op zo’n algemeen idee. De vraag is of dat algemene idee ook echt terugslaat op ‘het zijnde’. Locke verwerpt dat idee (in sommige gevallen) en kan daarom een nominalist genoemd worden. Hij stelt dat Universalia slechts talig zijn (bestaan in de taal).Hij houdt de empiristische theorie van waarneming aan, waarbij een impressie resulteert in een idee.Hij zegt daarnaast dat er wel een echte wereld is, een zijnde, maar dat je deze op verschillende manieren kan beschrijven.Het heeft niet zo veel zin om tegen iemand te zeggen dat hij het fout heeft, als je niet kan laten zien waarom hij het fout heeft. Hij heeft nieuwe impressies nodig om tot nieuwe inzichten te komen.Je begint met simpele ideeën als rond of blauw, dat zijn eigenschappen van complexe ideeën als een munt, en meerdere complexe ideeën kun je abstraheren tot een algemeen idee (dat ook complex kan zijn, omdat het meerdere eigenschappen heeft).Het verschil met Aristoteles is dat deze algemene ideeën bij Locke nominale essenties waren, en bij Aristoteles reële essenties.
Nominalisme: universalia zitten slechts in taal
Conceptualisme: universalia zitten in taal en de geest
Realisme: universalia zitten in taal, geest en de werkelijkheid
Locke is wel een realist over simpele ideeën.
- / 4