Wervelkolom: Cervicaal + Thoracaal
Anatomie.Scaleni.
Scalenus anterior:
Origo: dwarsuitsteeksels 3e - 6e
halswervels
Insertie: 1e rib
Functie:
Innervatie:
Scalenus Medius:
Origo: Dwarsuitsteeksels 3e - 7e
halswervel
Insertie: 1e rib
Functie:
Innervatie:
Scalenus Posterior:
Origo: dwarsuitsteeksels 5e-7e halswervel
Insertie: 2e rib
Functie:
Innervatie:
Sternocleidomastoïdeus:
Origo: manubrium sterni, clavicula
Insertie: proc. mastoideus en linea nucalis
superior
Functie: lateroflexie van het hoofd naar de
ipsilaterale zijde, rotatie van het hoofd naar de contralaterale zijde.
Innervatie: n. accessorius, plexus cervicalis
Trapezius pars descendens:
Origo: os occiputale, procc. spinosi van alle
halswervels
Insertie: clavicula
Functie: trekt scapula naar boven en draait deze
naar buiten, neigt het hoofd naar de ipsilaterale zijde en draait het naar de contralaterale zijde.Innervatie: n. accesorius en plexus cervicalis 1 / 3
Algemeen.Wanneer je een spier op rek gaat brengen voer je 5x 30seconden milde rek uit op deze spier.Bij een spierkracht test houdt je de spier 30seconden vast.
Cervicothoracale overgang: C6- Th4 (waar de thoracale wervels nog
rotatie geven).De rotatiemogelijkheid in de hoog cervicale wervelkolom wordt bepaald door de anatomische vorm van deze wervels.De knobbel die je op je achterhoofd voelt is de protuberantia occipitalis externa. Om te kunnen differentiëren tussen C6-C7-> wanneer de nek in flexie is voel je twee duidelijke proc. spinosi. Om C6 van C7 te kunnen scheiden palpeer je beide spinosi, daarna laat je de patiënt een extensie van de nek maken. De wervel die verdwijnt is C6, de wervel die je blijft voelen is C7.De niveaus van Th1-Th7 vertonen meestal een rechtstreekse verbinding van ribben en ribkraakbeen van dezelfde niveaus met het sternum.De niveaus Th8- Th12 vertonen meestal een onrechtstreekse verbinding van de ribben met het sternum via het gezamenlijke ribkraakbeen.Er is geen verbinding meer met het sternum via ribkraakbeen voor de zwevende ribben.Toracaal is er doorgaans een relatief beperkte flexie en extensie ten opzichte van de cervicale en lumbale wervelkolom. Er is een toename van flexie en extensie in de toracolumbale overgang (Th11- L1). Er is in de cervicale wervelkolom een beperkte lateroflexie mogelijkheid in vergelijking met lumbaal.
De bewegingen kunnen door verschillende redenen worden geremd:
compressie van de ribben, costovertebrale ligamenten, rek van buikspieren, torsie van het ribkraakbeen. Angulus inferior is ongeveer gelijk aan Th8, wanneer je de ribbenboog af palpeert kom je op Th 12 uit.Wanneer een patiënt nekpijn ervaart hangt dit vaak samen met een probleem in de coördinatie en het uithoudingsvermogen van de diepe flexoren.
Vena subclavia:
Dit is de ondersleutelbeen ader, het is de ader die links en rechts onder het sleutelbeen doorloopt. De vena subclavia ontvangt zuurstof arm bloed vanuit de armen en schouders via de vena axillaris en mondt samen met de vena jugularis uit in de vena brachiocephalica, die weer uitmondt in de vena cava superior. 2 / 3
In de linker en rechter angulus venosus mondt een aantal lymfevaten uit. Het grootste lymfevat van het lichaam, de ductus thoracicus, mondt uit ind e linker angulus venosus.
Arteria Subclavia:
Dit is de ondersleutelbeenslagader die de armen voor het grootste deel van bloed verziet. Ter hoogte van de oksel heeft het de naam arteria axillaris en als voortzetting in de bovenarm arteria brachialis.De arteria subclavia ontspringt links rechtstreeks uit de aortaboog en rechts via de truncus brachiocephalicus ook uit de aortaboog.Vanuit het hart zal het bloed dus, vanaf de aortaklep via de aorta ascendens, de aortaboog en voor de rechterkant detruncus brachiocephalicus de armen bereiken.
Plexus Brachialis:
Ook wel armvlecht genoemd en is een knooppunt van zenuwvezels die de arm bezenuwen. De plexus brachialis bestaat uit vezels van de rami ventralis van de onderste cervicale en bovenste thoracale ruggenmergsegmenten, specifiek C5 tot Th1. De plexus brachialis loopt door de nek, de oksel en vervolgens door in de arm.Hoog cervicale arthrokinematica.De hoog cervicale arthrokinematica wordt gekenmerkt door beenverbindingen met ventrale gewrichtsfacetten. Deze hebben een afwijking qua afmeting, curvatuur en oriëntatie in vergelijking met de rest.C0-C1 en C1-C2 hebben een beenverbinding en hebben geen disci.Op niveau C0-C1 is de rotatie erg beperkt of onmogelijk, de meest voorkomende bewegingen op dit niveau zijn flexie en extensie.Op niveau C1-C2 staat rotatie juist meer op de voorgrond, op dit niveau is de lateroflexie beperkt.Bewegingen hoog cervicaal worden gestuurd en geremd door ligamenten die in deze regio voorkomen.
Flexie: Zowel op C0-C1 als op C1-C2 rolt het occiput naar ventraal
en de occipitale condylen naar dorsaal.De flexie beweging op C0-C2 wordt beperkt door beenderig contact tussen de ventrale rand van het foramen magnum, de dens van C2 en het membrana tectoria.
Extensie: Bij extensie voeren de occipitale condylen een
rolbeweging uit naar dorsaal, deze gaat samen met een schuif naar ventraal.Bij een extensie beweging worden de ventrale ligamenten op spanning gebracht en de afstand tussen het occiput en de processus spinosi van C2 verkleind.
- / 3