ZAAD VRUCHT EN KIEMPLANT:
-ZAAD:
algemeen
-na bevruchting: zaadvorming
-zygote wordt embryo -twee poolkernen vormen endosperm(=reservestof) of binnenkiemwit -nucellus vormt perisperm of buitenkiemwit -wand van het vruchtbeginsel vormt vruchtwand funiculus = navelstreng -aanvoer voedingsstoffen via vaatbundel -hilum = litteken waar navelstreng vastgezeten heeft
-gemetamorfoseerd tot:
ozaadrok (=navelstreng groeit uit tot beschermlaag rond het zaad bv: lychee)
onavelpropje zaadhuid = testa -ontstaan uit itegumenten
-aanwezig op de zaadhuid:
ohilum ochalaza (=litteken waar integumenten en nucellus samenhingen) opoortje (=inkeping micrpyle) ozaadnerf (=verderzetting navelstreng in zaadhuid)
-of éénlagig:
oéén geheel opgebouwd uit twee integumenten
-of dubbellagig:
ouitwendige zaadhuid (=testa) + inwendige zaadhuid (=tegmen)
-verhouting:
ointegumenten zijn oorspronkelijk dunwandig otijdens ontwikkeling van het zaad ondergaan ze veranderingen ogevolg = verschillen in verhouting (sclereïden) (cut) = cuticula (pal) = palissade (lum) = lumen (hyp) = hypodermis (int sp) = intercellulaire ruimte (par) = gecompresseerde parenchymcellen (al) = aleuron cellen (par end) = resten van parenchymcellen van het endosperm
zaadkern: embryo
-bevruchte eicel (deling) basale cel + terminale cel obasale cel (deling) embryo oterminale cel (deling) suspensor (=embryodrager)
-embryo vormt:
oradicula (=kiemwortel) naar micropyle toe oplumula (=stengelapex en bladprimordia)
1 1 / 2
ohypocotyl (=verbiding stengel en wortel) oepicotyl (=eerste lid stengel, waar apex en bladknop liggen) -grassen okiemschede (=coleoptiel) zit rond plumula owortelschede (=coleorhiza) zit rond radicula ocotyledon is omgebouwd tot scutellum (=schildje) oaleuronlaag = buitenste cellaag van endosperm belangrijke rol bij ontwikkeling zaad
zaadkern: kiemwit en zaadlobben
-bevatten reservevoedsel (waar?):
1. enkel in zaadlobben bv: boon
of geen reservevoedsel, of opgestapeld in zaadlobben (=zaden zonder kiemwit)
2.enkel in binnenkiemwit (=endosperm) bv: graan
3.enkel in buitenkiemwit (=perisperm) bv: biet
4.in endo- en perisperm bv: katoen
-endosperm:
= hoofdmassa van het zaad obelangrijk voor voedsel
ouitzondering: orchideeënzaad bevat quasi geen endo- en perisperm (wel
symbiose met mycorrhiza)
(A): anatomie van cotyledon net voor kieming
cellen zitten vol met zetmeel (S) en proteïnen verdikte celwanden
(B): anatomie van cotyledon 8 dagen na kieming
lege en gekrompen cellen (behalve onder epidermis) ozaadverspreiding = dispersie -barochorie = zaden vallen op de grond dichtbij moederplant -balistochorie = zaden worden weggeslingerd door moederplant -anemochorie = zaden verspreiden zich via de wind -hydrochorie = zaden verspreiden zich via het water -epizoöchorie = zaden worden extern verspreid door mensen/dieren -myrmecochorie = zaden worden verspreid via mieren odormantie en kieming -kiemrust = dormantie = tijdelijke stilstand van de kieming
oendogeen: inwendig kenmerk zorgt voor hinder
oexogeen: chemische, mechanische of fysische barrière
- / 2