Zorgthema 7 – Urogenitale functies
Definitie en functie:
Water is een voor het leven onmisbare stof. Het lichaam bestaat voor het grootste gedeelte uit water, wat voortdurend moet worden ververst. Elke 30 dagen wordt de totale hoeveelheid ververst. De water-zouthuishouding van het lichaam is erop gericht om zowel de totale hoeveelheid water als de totale hoeveelheid elektrolyten, maar ook de onderlinge verhouding continu constant te houden.
Verbanden met andere lichaamsfuncties:
Het urogenitaal systeem heeft een aantal relaties met andere orgaansystemen:
- Ademhaling: via de ademhaling wordt een deel van het water uitgeademd in de vorm van waterdamp. Respiratie
- Circulatie: al het water in het lichaam wordt door het cardiovasculair systeem door het lichaam bewogen.
- Zuurstofbalans van het myocard: het hart is voor zuurstofvoorziening afhankelijk van zijn eigen actie en het
- Bloed: bloed bestaat voor de helft uit water en elektrolyten. De hoeveelheid plasma wordt geregeld door de
- Zenuwstelsel: de osmolariteit wordt bewaakt in de hypothalamus, die verder de hypofyse aanzet tot uitscheiding
- Huid en afweersysteem: de slijmvliezen moeten continu vochtig zijn om geen ‘porte d’entree’ te worden. Bij
en nieren vormen samen het zuur-base-evenwicht.
Bloeddruk is nodig voor functioneren van de nieren, welke de kaliumconcentratie handhaven, wat van belang is voor het hartritme.
bloedvatensysteem. Het bloed mag voor de stroomsnelheid niet te stroperig zijn. Water is de enige echte bloedverdunner en bepalend voor de viscositeit.
(bij)nieren. Omgekeerd brengt bloed de zuurstof, die nodig is voor processen, in de tubuli.
van ADH. Zo wordt zowel het totale watervolume als het elektrolytengehalte gereguleerd. Met name de natriumconcentratie is van belang voor het functioneren van de hersenen.
indrogen bestaat er een grotere kans op infectie.
Klinisch aandachtspunt 1: Vochtinname
Te veel water innemen is zelden problematisch, enkel bij hartfalen of nierinsufficiëntie. Dehydratie wordt onderschat, maar valt onder vitale dreigingen. De vochtbehoefte is de hoeveelheid water die zorgt voor verversing en die de verliezen compenseert. Vochtinname = basiszelfzorgfunctie. Functie: het drinken van voldoende water en zouten, zodat de verliezen gecompenseerd worden.
Zelfzorg Voor een goede zelfzorgfunctie m.b.t. vochtinname moet de patiënt aan een aantal voorwaarden voldoen: helder bewustzijn, mobiliteit, dorstgevoel, intacte slikreflex. Gedragsmatige factoren: te ziek voelen, niet willen, niet kunnen, gebrek aan kennis, etc.
Bewustzijn Bewusteloze patiënt is niet in staat om de eigen vochtbehoefte te reguleren, onduidelijk of er een dorstgevoel aanwezig is.Voor hulpverlener moeilijk te bepalen hoe de vochtverliezen ingeschat moeten worden. De kans is daarom groot dat een bewusteloze patiënt te weinig vocht toegediend krijgt en uitdroogt.
- / 2
Mobiliteit Nodig om vocht te verkrijgen, in te schenken en naar de mond te brengen. Er zijn allerlei bewegingsbeperkingen te bedenken die dit probleem kunnen veroorzaken.
Dorstgevoel Dorst is een lichamelijke reactie op gebrek aan vocht, het treedt op wanneer >2% van je lichaamsgewicht aan weefsels is onttrokken. Dorstgevoel wordt ervaren als droge, plakkerige mond. De dorstprikkel wordt gereguleerd in het dorstcentrum in de hypothalamus. Een verhoogde dorstprikkel is verdacht voor diabetes.
- Bij verhoging van de osmolariteit van het extracellulaire compartiment, activeren de osmosensoren in de
- Te lage bloeddruk en/of extracellulair volume activeert de baroreceptoren in de aortaboog => dorstprikkel.
- Stimulatie van het RAAS (Renine Angiotensine Aldosteron Systeem) door renale hypoperfusie => angiotensine II
hypothalamus => dorstprikkel.
=> dorstprikkel.
Slikreflex Zorgt ervoor dat voedsel en vocht in de oesofagus terecht komen i.p.v. de luchtwegen. Dit is een nauwkeurig getimede samenwerking tussen mond, huig, keel, strottenklep, stembanden en oesofagus. Bij een probleem met de slikreflex is kans op aspiratie erg groot.
Verliezen en behoefte Water komt alleen door de mond het lichaam in. Eruit kan op verschillende manieren: urine, zweet, ademvocht en ontlasting. Dit is nuttig omdat deze verliezen ook een aantal afvalstoffen vervoeren.
Wateromzet De inname moet in balans zijn met de verliezen. De behoefte wordt bepaald door: leeftijd, geslacht, lichamelijke activiteit, temperatuur, ziekte/therapie, ondervoeding, groei/gewenste gewichtstoename, verliezen aan energie/voedingsstoffen, voedingsstofbeperkingen. Wateromzet bij een volwassene = 1:30 (1 liter vocht per 30kg lichaamsgewicht moet ingenomen
worden). Bij kleine kinderen is dit 1:10.
Goed drinken, maar ook het ‘goede’ drinken Voor een goede vochtintake, moet de patiënt ook weten wat voor hem goed of slecht is om te drinken. Over het algemeen is water het beste om aan de vochtbehoefte te voldoen.
Functiestoornissen m.b.t. de vochtinname
- Te ziek om te drinken
- Psychische problemen: bv. verdriet, angst, spanning, eenzaamheid, verwardheid, sufheid, depressie, drugs en
- Verminderde dorstprikkel: naarmate mensen ouder worden, verminderd de dorstprikkel. Dorstprikkel werkt ook
- Misselijkheid/braken: er kan door koorts/diarree verhoogd verlies zijn, maar misselijkheid zorgt ervoor dat je
- Vochtbeperking: in sommige gevallen (o.a. hartfalen en nierinsufficiëntie) is het onverstandig om onbeperkt te
- Therapieontrouw: bv. niet houden aan vochtbeperking bij hartfalen en nierinsufficiëntie.
- Iatrogeen (veroorzaakt door medische handelingen): d.m.v. infusie kan er in korte tijd grote hoeveelheid water
alcoholabuses.
minder goed bij hyponatriaemie. De dorstprikkel werkt vooral via het natriumgehalte (hoog natriumgehalte = vochttekort).
minder kunt drinken.
drinken en moet voorkomen worden dat men overvuld raakt. De vochtbehoefte kan sterk wisselen doordat er door verschillende factoren extra verlies kan optreden. Door de voorgeschreven vochtbeperking kan er dehydratie ontstaan.
en elektrolyten toegediend worden. Door inname buiten het maag-darmkanaal om is er niet de natuurlijke bescherming van het lichaam (misselijkheid/braken bij te grote vochtinname in te korte tijd) en kan er sprake zijn van te veel vochtinname.
Bewakingsmogelijkheden/observaties voor de vochtinname
1. Vochtbalans: input/output bijhouden en berekenen
- Vochtbehoefte berekenen
- Zweetproductie beoordelen (zout of niet-zout)
- Regelmatig wegen
- / 2